McCain ‘is nu eenmaal niet karakterloos’

Het was een goede week voor John McCain. Terwijl Clinton en Obama de strijd opvoeren haalde hij de Republikeinse nominatie binnen. De rebel moet nu leren een leider te zijn.

John McCain op een verkiezingsbijeenkomst in Atlanta (Georgia), gisteren. Foto Reuters US Republican presidential candidate and US Senator John McCain, (R-AZ), speaks during a town hall meeting at the headquarters of Chick-Fil-A in Atlanta, Georgia, March 7, 2008. REUTERS/Tami Chappell (UNITED STATES) US PRESIDENTIAL ELECTION CAMPAIGN 2008 (USA) REUTERS

John McCain is grof in de mond.

Wie hem in de campagne een tijdje van nabij volgt, merkt dat hij zich in kleine kring voortdurend bedient van woorden die de Amerikaanse televisie wegdrukt met een piepje.

Het is mannenhumor die hoort bij een non-conformist. Een vrouw is bij hem algauw een bitch, verslaggevers zijn meestal jerks – en iedereen lacht mee.

Het heeft ook een serieuze kant: als John McCain boos wordt, kan hij opponenten, heel on-Amerikaans, openlijk de huid vol schelden. ,,Fuck yóu!’’, riep hij een jaar geleden tegen een senator uit Texas, John Cornyn, nadat die zich tegen de gematigde immigratiepolitiek keerde die door McCain destijds werd gesteund.

Congresleden en stafmedewerkers luisterden mee, en het typerende was: John McCain had geen berouw. „Ik denk dat [de senator uit Texas] het verdiende”, zei McCain’s zoon Jack, marinekorporaal en Irak-veteraan, vorige maand in Gomids.com, een website van het Korps Mariniers. „Mijn vader is nu eenmaal niet karakterloos.”

De strijd tegen de karakterloosheid van de medemens – daar draait eigenlijk alles om bij de 71-jarige John McCain.

Daarom heeft hij ook meer respect voor Hillary Clinton dan voor Barack Obama, die volgens hem voortdurend aan de veilige kant van het debat blijft.

Over Clinton spreekt hij met ontzag sinds zij hem op een trip naar Estland uitdaagde tot een krachtmeting: wie kan de meeste wodka op? McCain ging de uitdaging graag aan. In de Senaat noemt hij haar sindsdien „one of the boys”.

McCains zoektocht naar andermans ruggengraat past in een lange familietraditie. Als hoofd van de militaire operatie in Vietnam voerde zijn vader, admiraal John McCain jr., in 1972 bombardementen uit op het deel van Hanoi waar zijn zoon sinds 1967 krijgsgevangen werd gehouden. „Hij heeft nooit getwijfeld”, zei zoon McCain vorig jaar trots in The Washington Post.

Zijn heldhaftige optreden in Vietnam (zie inzet) vormde, na zijn terugkeer in de VS, ook het einde van een periode van wurgende zelftwijfel.

Als tiener was hij een ontembare rebel. Hij spiegelde zich aan zijn opa, John ‘Slew’ McCain, die de senator later vertederend omschreef als een shagjes rokende gokker en kroegtijger die om de andere zin een vloek losliet.

Op de officiersopleiding kopieerde hij het gedrag van opa. Zijn prestaties hielden niet over: in de eindrangschikking van zijn jaargang eindigde McCain op plaats 894 (van 899 studenten). Zoon Jack is hetzelfde type, het past in de familieromantiek om er stoer over te doen. „Mijn pa en ik lachen erom.”

Toch vertegenwoordigt McCains rebelse inslag volgens Republikeinse insiders het grootste risico van zijn kandidatuur. Als beroepspoliticus (lid van het Huis in 1982, lid van de Senaat sinds 1986) is hij zelden in staat geweest de partij achter zich te verenigen.

Het liefst zocht hij het gevecht op – vóór de oorlog in Irak, tegen marteling, tegen lobbyisten, tegen de welvaartstaat, vóór de aanpak van het broeikaseffect.

En het liefst koos hij tegenstanders in eigen kring, zodat het in de partij nu bulkt van politici en activisten die zijn bloed wel kunnen drinken.

Met conservatisme hadden de meeste conflicten weinig te maken. Bijna altijd ging het om moed en stijl. „Ik zal nóóit op hem stemmen”, zei de machtige evangelical James Dobson vorige maand. Motief? McCains „taalgebruik”.

En Rush Limbaugh, de rechtse radiopresentator die nog steeds campagne tegen hem voert, twijfelt ook niet aan McCains conservatisme. Hij keert zich tegen zijn bereidheid tot compromissen met Democraten. Een houding die voor Limbaugh gelijk staat aan „heulen met de vijand”.

In McCains nieuwe rol als partijleider is de rebelse aanpak niet langer gepast: nu moet hij proberen zijn vele oude vijandschappen bij te leggen.

En dat is geen eenvoudige opgave. Sceptici wijzen erop dat McCain niet voor niets in een vrije val belandde toen hij vorig jaar al in de positie van aanstaande partijleider terechtkwam. Hij omringde zich met dure adviseurs uit de wereld van president George W. Bush, verzorgde een gastcollege op de universiteit van evangelical Jerry Falwell, en steunde de president door dik en dun in controversiële kwesties als Irak en immigratie.

In zijn eigen analyse was zijn val in de peilingen het gevolg van zijn imago als representant van het establishment. Hij ontsloeg alle Bush-mensen, omringde zich met gelijkgestemde geesten, kocht een tweedehands busje (Straight Talk Express), en positioneerde zich opnieuw als rebel met een aantrekkingskracht op onafhankelijke kiezers. Zijn 97-jarige moeder vergezelde hem om zijn ouderdom te relativeren. Haar standaardbegroeting: „,Hey, sonny boy.”

Het werkte. De rebel kwam terug, en deze week werd hij officieel de nieuwe partijleider. De vraag die resteert: kan hij nu wél het gevecht ontlopen als hij een ruggengraatloze partijgenoot op zijn pad treft?

    • Tom-Jan Meeus