Intimiteit ontbreekt in Kunsthal

Marseus van Schrieck: ‘Glazen vaas met boeket en insecten’ (1660). Afbeelding Kunsthal Kunsthal

Expositie Thuis in de Gouden eeuw. De kleine meesterwerken uit de collectie SØR Rusche. T/m 18 mei in de Kunsthal, Rotterdam. Inl: www.kunsthal.nl

Dirk Druijf, Rombout van Troyen, Daniël Vertangen, Johannes Kuveenis, Horatius Paulijn. Wie heeft ooit van hen gehoord? Het waren Nederlandse schilders, nijver werkend aan portretten, landschapen, bijbelse taferelen en stillevens. Ze hebben werk verkocht en dat heeft gehangen in Hollandse binnenkamers, is verplaatst naar zolder en zijkamers, is vererfd, verhuisd, verkocht, weer op andere plaatsen aan de muur getimmerd, beschadigd, gerepareerd, geveild en uiteindelijk beland in de collectie van de Duitse verzamelaar Rusche in het Westfaalse stadje Oelde.

Tomas Rusche leidt een confectiezaak en is de derde generatie die zich toelegt op de minder bekende meesters. In die verzameling bevinden zich inmiddels 600 Nederlandse schilderijen uit de zeventiende eeuw en 160 daarvan zijn geselecteerd voor de tentoonstelling Thuis in de Gouden Eeuw.

Voor snobs en connaisseurs is het geen aanrader. Hier hangen geen topstukken zoals we gewend zijn van de grote musea. Wat we hier zien is werk zoals dat hangt op de kijkdag van een middelgroot veilinghuis dat in ‘oude meesters’ doet. De familie Rusche heeft gekeken naar het werk van minder bekende meesters, en naar schilderijen van bekende schilders die nog net in een behapbare prijsklasse vielen. Een ander criterium is het bescheiden formaat en ten slotte is ook gekozen op diversiteit.

Veel schilderijen op de tentoonstelling roepen associaties op met bekend maar beter werk: ze staan in een beeldtraditie die keer op keer hernomen is. Hoeveel Italianiserende landschappen zijn er wel niet gemaakt? En hoeveel vechtende boeren, strenge Hollandse burgerhoofden, fregatten op woelige zeetjes en vazen met bloemen in uitbundige kleuren? Van al die onderwerpen hangen hier voorbeelden. Niet altijd van heel hoog niveau, maar het is leerzaam te zien dat veel geroemde meesters ook wel eens een slechte dag hebben gehad. De verzamelaar is wel eens te enthousiast in zijn aankoop geweest en dan lijkt de lage prijs het gewonnen te hebben van de kwaliteit. Ook aan de conditie van doek of paneel schort het hier en daar. Een restaurateur heeft dan nog gered wat er te redden viel.

Toch valt hier wel wat bijzonders te zien. Er zijn kleine minder bekende schilders die er uitspringen. Van de intrigerende Amsterdammer Otto Marseus van Schrieck – expert in ensembles van slangen, padden, en distels en andere onvriendelijke gewassen – hangt er een merkwaardig stilleven bestaande uit vissen, een kreeft en een bloemkool met daarboven een vlinder. De niet minder bizarre Rotterdammer Abraham Hondius is vertegenwoordigd met een donkere voorstelling van drie honden die een kraanvogel aanvallen. Ook een klein rond schilderijtje op koper van Hendrick van Steenwijck uit 1611 met een voorstelling van de bevrijding van Petrus is een mooi voorbeeld van de soms wat buitenissige smaak van de familie Rusche.

Van enkele bekendere schilders zijn ook een aantal interessante aankopen te zien. Van Gerard Lundens hangen er innemende ovale portretjes op koper van een echtpaar. De Utrechtse schilder Cornelis van Poelenburgh is vertegenwoordigd met een in warme tinten intens geschilderd werkje met een voorstelling van Petrus. Ook dit is op koper geschilderd, een materiaal waarvoor de Rusches een voorkeur hebben.

Thuis in de Gouden Eeuw is vooral een cultuurhistorische tentoonstelling waar de bezoeker er nog eens van doordrongen wordt dat in Nederland duizenden schilders werkzaam zijn geweest die samen een productie van enkele miljoenen op hun naam hebben staan. De samenstellers hebben er dan ook niet voor gekozen om de schilderijen traditioneel chronologisch, per schilder of per genre op te hangen. Ze hebben een thematische opzet bedacht waarin het functioneren van kunst in de samenleving het leidende beginsel is. Zo gaat het om het vervaardigen, het verkopen (in het atelier, in de kunsthandel, op een veiling, bij een loterij of op een jaarmarkt) en om de plaats waar deze schilderijen kwamen te hangen. De catalogus bevat over deze onderwerpen informatieve artikelen.

Het idee voor deze tentoonstelling is goed, de inrichting is minder. De sfeer van het het huiselijke, de intimiteit van het Nederlandse binnenhuis – klein van schaal, donker, verlicht door kleine ruitjes, kaarslicht of olielampen – ontbreekt volledig. Er is niet gekozen voor kabinetachtige ruimtes, de presentatie is daarentegen ruim, wit, helder en met kleuren die niets met de sfeer van toen te maken hebben. En de schilderijen voelen zich dan ook duidelijk niet thuis in de 21ste eeuw.