‘In 2012 winnen we niets meer’

Volop Nederlands succes bij de WK afstanden in Nagano. Maar volgens Piet Schipper, voorzitter van de Nederlandse vereniging van schaatstrainers, nadert het einde van de hegemonie.

Piet Schipper in Amsterdam. Foto Rien Zilvold amsterdam piet schipper foto rien zilvold Zilvold, Rien

Waarom wordt er zo lauw gereageerd als de Nederlandse schaatsers dit seizoen op geen enkele afstand het eindklassement van de wereldbeker winnen, vraagt Piet Schipper zich af. Is iedereen verblind door het succes van Sven Kramer? „We hebben in Nederland extreme talenten”, geeft de 62-jarige schaatscoach toe. „Maar dat waren Boris Kusmirak, Ralf de Haan en Arjen van der Kieft de laatste jaren ook. En waar zijn ze nu? Als we er niet in slagen om met onze talenten keuzes te maken die in het belang van de individuele sporter zijn, dan zijn de Aziaten en Noord-Amerikanen ons in 2012 voorbij. Dan winnen we niets meer.”

Zie zijn gewaagde stelling als waarschuwing voor het Nederlandse schaatsen. „Al zullen mensen roepen: wie is die Schipper dan?” De insiders zullen dat niet doen.

Vanaf begin jaren zeventig viel de uit Haarlem afkomstige Schipper, die ook twintig jaar masseur was van de nationale basketbalploegen, op als coach van Jos Niesten, Fausto de Marreiros, en van de VGZ-marathonploeg met Hilbert van der Duim en Frits Schalij. Hij werkte met sprinters Arie Loef en Arnold van der Poel, begon de eerste internationale schaatsploeg en was in Zwitserland coach van stayer Martin Feigenwinter. Schipper is al meer dan twintig jaar voorzitter van de Nederlandse schaatstrainersvereniging (NSTV), heeft een praktijk als sportbegeleider en is docent bij de trainersopleiding van de schaatsbond KNSB. Hij leidde onder anderen Bart Schouten op, nu bondscoach van Duitsland.

Schipper is het niet eens met bondscoach Wopke de Vegt, die de matige resultaten in de wereldbeker onlangs bagatelliseerde. „Je moet je juist afvragen: wat kunnen we als Nederland leren van de buitenlanders die ons verslaan? We moeten minder snel een oordeel geven over goed of slecht. Wij zijn te overtuigd van onszelf. Terwijl onze aanpak ook maar een keuze is, en niet per definitie beter.”

Integendeel, de teamgerichte aanpak van de Nederlandse commerciële ploegen leidt volgens Schipper lang niet altijd tot het optimale rendement. „TVM, DSB en Telfort gaan allemaal uit van het collectief. Maar niet elke sporter is daarbij gebaat. APPM (de kleine ploeg van elders niet-geslaagde sprinters Jacques de Koning en Lars Elgersma, red.) laat zien dat je met een individuele aanpak ook succesvol kunt zijn.”

Toch kiest de KNSB er juist voor om nu ook de jeugd steeds jonger centraal in één ploeg te laten trainen. „Ik bekritiseer dat”, zegt hij. „Als ze collectief een door de trainer opgelegd programma volgen, weet ik zeker dat je acht van de tien mensen kwijtraakt. En daaronder misschien de twee besten. Laat ze toch trainen in de omgeving waar het tot op dat moment goed gaat: in de thuissituatie, bij de clubs, in de gewesten. En laat de trainer daar aangeven wanneer iemand klaar is.”

Dat Nederland onlangs bij de WK junioren vrijwel alle podiumplaatsen bezette, zegt hem weinig. „Waren Shingo Doi, Johan Röjler en Beorn Nijenhuis ook geen wereldkampioen junioren? In Nederland heb je een massa schaatsers, we hebben bij de junioren veel talent. Maar misschien word je in Nederland wel goed ondanks de trainer. Terwijl je in het buitenland goed wordt dankzij de trainer. Dat is een essentieel verschil.

„Buitenlandse coaches moeten het vaak doen met veel minder schaatsers. Dus moet je vele malen zuiniger zijn op je sporters en zorgvuldiger zijn in je keuzes. Nadenken en soms een richting ingaan waarvan je niet weet of het gaat lukken. Doe je dat in Nederland, dan hakken ze je kop eraf. Terwijl je juist zo moet denken om beter te worden. Zoeken, ontdekken.”

Petr Novák, de coach van de Tsjechische meervoudig wereldkampioene Martina Sáblíková, is volgens Schipper het beste voorbeeld. „Ik ken hem al jaren, hij durfde het aan om dingen anders te doen. ‘Waar kan ik winst halen op de Nederlanders’, vroeg hij zich af. In de bocht. Hij herinnerde zich Johann Olav Koss, die de bocht reed met een hogere frequentie en een extra slag aan het einde. Zo is Sáblíková het gaan doen. Ze snijdt de bocht iets anders aan, laat zich na het midden een beetje naar buiten driften en maakt een extra slag. Dat kost minder kracht maar meer energie. Daarom doet Petr zoveel conditietraining met haar. Allemaal vanuit zijn eigen bewuste keuzes. En met groot succes.”

Ook voor de Italiaan Mauricio Marchetto, coach van Enrico Fabris, heeft Schipper waardering. „Net als Novák heeft hij weinig schaatsers, maar veel succes. Ze kijken allebei heel goed naar de racestrategie. Sáblíková en Fabris halen hun winst in het tweede deel van de race. Waarom kiezen wij in Nederland altijd om een race snel te beginnen? Ireen Wüst verspeelde zo vorig jaar de Europese titel. Kramer eindigt nu met rondjes van 30 in plaats van 29 seconden. Dat maakt hem minder onaantastbaar. Als de Noor Håvard Bøkko, die een betere bocht rijdt, de juiste indeling van zijn race vindt, kan hij volgend jaar best eens de tien kilometer winnen.”

    • Maarten Scholten