Gifgas à l’improviste

In Nederland zijn in de jaren vijftig flinke hoeveelheden gifgas geproduceerd. In de Algerijnse Sahara is ermee geëxperimenteerd op ratten en schapen. Karel Knip

De Sahara in de buurt Marokkaans-Algerijnse grens. foto Vlad Wojcik Wojcik, Vlad

Verbazing en ongeloof onder veel gepensioneerde TNO-wetenschappers die jarenlang onderzoek deden aan de verdediging tegen zenuwgas. Werkten zij achteraf bezien op een laboratorium dat meer deed dan zij voor mogelijk en voor wenselijk hielden?

Twee weken geleden onthulde HP/De Tijd dat Nederlandse onderzoekers in 1952, en vele jaren daarna, met Belgen en Fransen veldproeven met zenuwgas uitvoerden op een Franse basis in de Sahara. Primitieve proeven naar moderne maatstaven. Proeven met vernevelaars en fosforgranaten die à l’improviste werden gevuld met eigengemaakt gifgas. Maar wel proeven met de gevaarlijkste gassen die er zijn: tabun, soman, sarin, cyclosarin. Niet eerder zijn Nederlandse veldproeven met zenuwgas beschreven.

Het verbazingwekkendst was dat de Nederlanders in de woestijn verschenen met meerdere liters zelfgemaakt zenuwgas van een onbekende soort (‘corps X’) die ongewoon giftig bleek. En ook de Belgen hadden zomaar het zenuwgas sarin in literhoeveelheden kunnen aanvoeren. “Onbegrijpelijk, in het laboratorium maakten we nooit meer dan grammen zenuwgas”, zeggen de ex-TNO-ers dr. Jan Medema, dr. Henk Boter en dr. Harry Kienhuis. “Kilogrammen? Geen sprake van. Dat scheelt een factor duizend. Ondenkbaar dat we dat zelf maakten. We hàdden wel kilogrammen, maar die kregen we uit het buitenland.”

mosterdgas

Even leek het er de afgelopen weken dus op alsof Nederland een pijnlijk geheim had gehad. Niets is onmogelijk. Per slot bezat ons land in 1938 aan de Hemweg bij Zaandam ook een proeffabriek voor mosterdgas die later naar Java is gebracht.

Ook een proeffabriek voor zenuwgas? Nee. Dr.ir. Henk Benschop, als chemicus jarenlang verbonden aan het Prins Maurits Laboratorium van TNO, gelooft dat er bij uitzondering wel degelijk flinke hoeveelheden zenuwgas in het laboratorium werden geproduceerd. “Die heb je nu eenmaal nodig voor veldproeven. Dan werd er geïmproviseerd.” Dr. Herbert de Bisschop, als hoogleraar verbonden aan de Koninklijke Militaire School in Brussel, gaat er vanuit dat ook de Belgen de vele liters sarin die ze volgens archiefstukken in de Sahara gebruikten zelf maakten. “Met opschaling van laboratoriumapparatuur – grotere kolven – was dat toen zeker mogelijk. De veiligheidsregels waren minder strikt, denk ik.” Het staat vast dat een mens bezwijkt aan een paar druppels sarin op de onbedekte huid.

Twee weken geleden werd een zwijgen verbroken dat meer dan een halve eeuw heeft geduurd. HP/De Tijd wist nog één getuige van de veldproeven te vinden. De anderen zijn overleden of houden zich aan de strenge geheimhouding die hun uit angst voor ‘de vijand’ – de Rus – werd opgelegd.

De geheime basis is voor het eerst beschreven in de roman ‘Le lac des songes’ van Albert Paraz. Chemicus Paraz werd in 1939 bij de Franse mobilisatie opgeroepen voor dienst in de Algerijnse Sahara. In het 1935 had het Vreemdelingenlegioen daar op een hoogvlakte een reusachtig terrein ingericht voor veldproeven met gifgas.

Paraz kreeg er laboratoriumwerk. Hij trotseerde de censuur en publiceerde zijn ervaringen in 1945. Hij vertelde waar de basis lag, hoe die eruit zag en beschreef de proeven met mosterdgas, fosgeen en lewisiet, het gebruik van schapen als proefdier, de rare beschermende kleding, de ontsmetting met bleekwater. En ook de aanwezigheid van Britse RAF-militairen die zich inderhaast bekwaamden in het gebruik van het chemisch wapen.

De basis stond onder bevel van een kolonel. Zij lag 70 kilometer ten oosten van het woestijnstadje Beni Ounif dat tegen de huidige grens van Marokko ligt (tegenover de Marokkaanse oasestad Figuig). Daar was aan de rand van de ‘oued Namous’ een kampement ingericht dat ‘Basis 2’ heette. Een oued is een wadi, een bijna permanent droge rivierbedding, en een namous is een mug. Van lieverlee werd het centrum ‘B2-Namous’ genoemd.

ontsmetting

De basis is later, in 1971, 1973 en 1982, nog kort genoemd in specialistische literatuur over chemische wapens die door het SIPRI in Stockholm werd uitgegeven. De bijdragen kwamen van Julian Perry Robinson van de University of Sussex. Voor het grote publiek bleef de basis geheim tot Le Nouvel Observateur er op 23 oktober 1997 expliciet de aandacht op vestigde. Voor de Fransen zelf was de grootste verrassing dat Frankrijk het terrein nog vijftien jaar na de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 had kunnen gebruiken. Uiteindelijk is het pas eind 1977 gesloten en na ontsmetting ‘teruggegeven aan de natuur’.

nog giftiger

Het bestaan van B2- Namous was aan de Duitsers voorbijgegaan zodat zij rond 1946 of 1947 ongeschonden opnieuw in gebruik kon worden genomen. Nu om er de werkzaamheid en verspreidingseigenschappen te testen van de zenuwgassen die de Duitsers hadden ontdekt: tabun (1936), sarin (1937) en soman (1944). De geallieerden (en de Russen) hadden grote hoeveelheden voorraden en documenten buitgemaakt en namen de chemie van de gassen onmiddellijk in studie. Tegelijk probeerde men nieuwere, nog ‘betere’ strijdgassen te ontwikkelen. Al doende vond het Britse centrum Porton Down de beruchte stof VX. “Vaak vind je inderdaad wel stoffen die nog giftiger zijn dan bestaande zenuwgassen”, zegt Henk Benschop, “maar die schieten dan weer tekort op ander gebied: stabiliteit, verspreidbaarheid, enzovoort.” Dat gold ook voor ‘corps X’ dat de Nederlanders in 1952 gebruikten volgens de TNO - documenten in de archieven van het ministerie van Defensie waartoe H P/De Tijd toegang kreeg. “Het was niets bijzonders”, zegt Benschop. “We hadden ook ‘corps Y’.” Op de structuur van de gangbare zenuwgassen is eindeloos te variëren. Het ‘corps 63’ dat de Fransen in 1952 gebruikten blijkt cyclosarin te zijn.

proeffabriek

Stoffen die veelbelovend leken konden in de Sahara worden getest. B2-Namous ontving uitsluitend de zogenoemde Finabel-landen (Frankrijk, Italië en de Benelux, later ook Duitsland en Engeland) en Amerikanen. Tot ruim tien jaar na de oorlog overwogen veel Europese landen de offensieve ontwikkeling van wapens met zenuwgassen. Engeland plaatste een proeffabriek voor sarin bij Nancekuke in Cornwall waar tussen 1953 en 1955 zo’n zes kilo sarin per uur kon worden gemaakt. Voor de grotere veldproeven deden landen als Nederland en België meestal een beroep op Frankrijk dat ook grote partijen kon leveren. Ook Frankrijk had een proeffabriek, maar niemand wil zeggen wáár. Mischien wel bij het Centre d’études du Bouchet in Vertle- Petit, even ten zuiden van Parijs. Dat was vaak de eindleverancier.

Ook Joegoslavië, waar TNO incidenteel mee samenwerkte, had veel zenuwgas kunnen leveren want het werd er op industriële schaal geproduceerd. De Joegoslaven hielden dat geheim. Benschop kan er nog kwaad om worden. “Ze hebben ons nooit iets verteld.”