Fischer laat nootjes mokeren

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer m.m.v. Richard Goode (piano). Gehoord: 7/3 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 9, 12 en 13/3, aldaar. Radio 4: 9/3, 14.15 uur.

Drukker dan deze maand zal de Amsterdamse agenda van dirigent Iván Fischer niet snel worden. Volgende week dirigeert hij Bachs Matthäus Passion bij het Concertgebouworkest, eind deze maand is zijn Budapest Festival Orchestra te gast voor een concertdriedaagse. Maar nog voordien leidt Fischer het Concertgebouworkest deze week al in een curieus programma rond die andere grote ‘B´s, Beethoven en Brahms.

Met zijn eigen orkest – ,,een familie van kunstenaars”, zegt hij zelf – staat Fischer voor een anders-dan-andere symfonische aanpak. Orkestleden worden individueel aangesproken, en juist dat leidt tot een zeldzame eenheid in verscheidenheid. Als gastdirigent bij het Concertgebouworkest is Fischer succesvol met dezelfde benadering. En met een ongewone differentiatie in de klank als gevolg, zoals gisteravond meteen bleek in de Ouverture ´Der Freischütz’ van Von Weber. Wonderlijk hoe het orkest, dat hier gespierd en krijgslustig speelde, in Beethovens Tweede pianoconcert meteen daarna een totaal andere, elegante klank realiseerde.

Door zijn duidelijke ideeën én gebaren kan Fischer een simpele reeks herhaalde nootjes laten mokeren als retorisch spervuur. Die zeggingskracht tekende ook pianist Richard Goode die met kleurrijk, ongedwongen spel Beethovens frisse én diepzinnige kanten belichtte. Aan de dialoog in het Adagio viel af te horen dat Goode en Fischer niet voor het eerst samenwerken in Beethoven; de weerslag daarvan verschijnt binnenkort ook op cd (Nonesuch).

Juist omdat Fischer symfonische muziek kruidt met kamermuzikale details, is het logisch dat hij iets ziet in Schönbergs orkestratie van Brahms´ Eerste pianokwartet. Op de beste momenten (slotdeel) klonk het kwartet in deze orkestversie als een nieuwe Hongaarse dans, en soms gaven de houtblazers met zigeunerachtig spel even echt het gevoel dat Schönberg inkleurde wat Brahms in zwart-wit naliet. Maar ondanks zijn intrinsieke grandeur blijft het Pianokwartet bedacht en gebouwd als kamermuziek, en slaagde zelfs Fischer er niet in de indruk weg te nemen dat Schönberg soms ook maar gewoon een symfonisch vergrootglas hanteerde.

    • Mischa Spel