‘De wereld kan niet zonder bijen’

„Drie jaar geleden ben ik zelf drie van mijn vijf volken kwijtgeraakt” Foto Evelyne Jacq Europa, Nederland, Arnhem, 23-02-2008 Marcel Simon, imker, hoofdbestuurslid NBVNederlands Bijenhoudersvereniging. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

‘Wintersterfte onder de bijen komt altijd al voor. Het ene jaar meer dan het andere en het verschilt ook per gebied. 2003 was een slecht jaar, landelijk gezien, daarna ging het weer beter. Als er tien procent van de bijenvolken doodgaat vinden we dat geen ramp, dat hoort tot de normale aantallen. Vorig jaar was de sterfte vijftien procent; dit jaar lijkt het tot nu toe al negentien procent te zijn, maar eigenlijk valt er nog niet veel over te zeggen, dat kan pas in april als we de kasten voor het eerst openmaken.

In de winter kijk je niet in je bijenvolk, dan moet je ze met rust laten. Ze zitten op een tros en houden zich warm, het is er een graadje of twaalf, ook als het twintig graden vriest. Zodra de koningin weer eitjes gaat leggen, wordt het op die plek zelfs 35 graden. Je kunt veel zien aan de buitenkant van de kast. Laatst toen het zo’n mooi weekend was, zag je de bijen uitvliegen en weer terugkomen. Dan weet je dat het goed gaat. Je kan ook je oor tegen de kast leggen, als je er dan tegen tikt hoor je zjoeww.

Er zijn altijd imkers die te nieuwsgierig zijn en toch willen kijken. Sommigen hebben al ontdekt dat hele volken zijn verdwenen. Alleen de koningin en een handjevol bijen is achtergebleven, maar die zijn met te weinig om zichzelf warm te kunnen houden. Er zijn nu berichten uit bijvoorbeeld Haarlem en Boskoop waar imkers een heleboel volken plotseling zijn kwijtgeraakt. Dat is een schok. Toch moeten we het probleem niet overdrijven. Er zijn ook plekken waar niets aan de hand is en imkers met wie het nu slecht gaat kunnen het volgend jaar weer goed hebben: dat gaat op en neer.

In Amerika was de situatie vorig jaar nogal dramatisch: veel imkers hebben soms wel vijftig procent van hun bijenvolken verloren. Voor deze verdwijnziekte is een nieuwe term bedacht: Colony Collapse Disorder. In Europa en Nederland hebben we er ook mee te maken en er wordt inmiddels veel onderzoek naar gedaan.

Er zijn allerlei speculaties over de oorzaak van de verdwijnziekte. Sommigen denken dat het aan het klimaat ligt: de ene keer is het de warme zomer, dan weer de natte zomer. Maar bijen bestaan al 80 miljoen jaar, die kunnen dat verdragen. Ook wordt wel gezegd dat elektromagnetische signalen van mobiele telefoons het navigatiesysteem van bijen in de war brengen. Dat is echt onzin en ook nooit bewezen. De werkelijke verklaring voor de grote sterfte, zo neemt men in Amerika en hier algemeen aan, is een combinatie van de Varroamijt en virussen waarvan steeds nieuwe soorten worden ontdekt.

De Varroamijt is geïnfecteerd door virussen, die brengt hij over in de larven van de bij. De virussen veroorzaken misvormde vleugels, verlamming van de vliegspieren en desoriëntatie: de bijen vliegen individueel uit, maar keren niet meer terug omdat ze verlamd zijn of de weg kwijt raken. Dat ze niet terugkomen, kun je ook zien als een vorm van weerstand van een bijenvolk tegen ziekten. De dood van de individuele bij telt minder dan het weer thuis brengen van de infectie. Een enkele keer zie ik een bij op de vliegplank voor de kast zitten die verkleumd is. Als je zo’n bij in je hand neemt en je maakt hem een beetje warm met je adem, komt hij weer tot leven. Dat is dan één bij – in de zomer telt een volk wel vijftigduizend bijen.

De Varroamijt is in 1983 via Duitsland in Nederland terechtgekomen. In Duitsland is hij indertijd ingevoerd uit het Verre Oosten om er onderzoek naar te doen. Dat heeft de verspreiding van de mijt in Europa bespoedigd. In een land als Indonesië komen andere bijenrassen voor dan hier, ze vertonen ook ander gedrag waardoor ze kunnen samenleven met deze mijt. Doordat ze de gewoonte hebben na enige tijd met het hele volk hun raat te verlaten, blijft de ziekte achter en gaat de mijt dood. Onze bijen zwermen ook, maar tegelijk blijft een deel van het volk achter bij het broed, waarin zich het merendeel van de mijten bevindt.

Het gaat er nu om met het onderzoek naar virussen de echte oorzaak van de ziekte te vinden. En intussen moeten we de mijt blijven bestrijden. Vroeger gebeurde dat met chemische middelen waar de mijt resistent van werd, nu werken we meer met milieuvriendelijk materiaal dat geen resistentie geeft. Als je er in augustus mee begint, heb je zoveel Varroamijten gedood dat de winterbijen die nog geboren moeten worden een gunstiger conditie hebben. Toch zijn er imkers die zeggen: ik kan nu nog niet bestrijden want ik moet nog met de bijen naar de hei. De heidehoning vinden ze heel belangrijk en het bestrijdingsmiddel mag pas na het oogsten van die honing toegepast worden. Je moet soms je prioriteiten stellen.

Nederland is een land van hobby-imkers. Ik ben zelf sinds vijfendertig jaar hobby-imker. Vier volken heb ik nu. Ik heb een redelijk grote tuin waarin ik mijn kasten kan zetten. De omgeving merkt niets van die bijen hoor, want ze vliegen wel drie kilometer weg om voedsel te zoeken. Als je er echt van wilt leven, moet je honderden bijenvolken hebben; in Nederland zijn zo’n vijf, zes beroepsimkers. In Duitsland zijn het er veel meer en ook in Amerika zijn veel beroepsimkers. Ze kweken daar in het zuiden duizenden bijenvolken die ze in de zomer met vrachtwagens transporteren naar het noorden. Als de ziekte daar toeslaat betekent dat niet alleen grote schade voor de imkers, maar ook voor de bestuiving van land- en tuinbouwgewassen.

De bestuiving van cultuurgewassen, zoals komkommer, paprika, asperge, aardbeien en veel fruitsoorten, is ook bij ons in belangrijke mate afhankelijk van bijen. Ze worden uitgezet in kassen en boomgaarden – kwekers betalen imkers daarvoor. De bestuiving door bijen is in feite van maatschappelijk belang. Er zijn weliswaar meer bestuivers zoals wilde bijen, hommels en vliegen, maar die zijn er niet in zulke grote aantallen en niet zo vroeg in het voorjaar. Veel planten zijn echt aangewezen op de honingbijen. Zonder bijen ontstaat voedselschaarste.

Ook de natuur is afhankelijk van bijen. Mede door hun bestuiving ontstaan bessen en zaden waar weer vogels en knaagdieren van leven. En andersom geldt dat bijen niet kunnen leven zonder natuurlijke flora. Een bijenvolk heeft naast nectar per jaar wel dertig kilo stuifmeel nodig dat voortdurend wordt geconsumeerd. Dat is een enorme hoeveelheid, maar door de verschraling van de biodiversiteit zijn niet overal voldoende bloemen. Aan de ene kant zie je wel dat provincies en gemeenten braakliggende percelen inzaaien met wilde bloemen, aan de andere kant kalft het echter af doordat steeds meer plekken die vroeger groen waren zijn volgebouwd. Heel jammer is dat ook veel particulieren hun tuinen beklinkeren, want tuinen en bomen leveren bijen veel voedsel.

De wereld kan niet zonder bijen maar ook niet zonder imkers. Toch loopt het aantal imkers, door vergrijzing en te weinig belangstelling van jonge mensen, terug met twee procent per jaar. De Nederlandse Bijenhouders Vereniging heeft nu zesduizend leden, een aantal jaren geleden waren het er nog achtduizend. We proberen nieuwe leden te werven door jonge kinderen bekend te maken met de imkerij. We maken bijvoorbeeld leskisten voor scholen en daarnaast richten we ons met cursussen op jonge vutters die meer tijd krijgen. Tegenwoordig moeten cursisten de cursus zelf betalen: vroeger kregen we daar subsidie voor, maar de terugtredende overheid geeft de imkerij steeds minder geld. Ook de bestrijding van ziektes moeten wij zelf opbrengen.

Toch blijven we optimistisch. Als hoofdbestuurslid van de Nederlandse Bijenhouders Vereniging met de portefeuille bijengezondheid hoor ik natuurlijk de sombere verhalen van getroffen imkers die plotseling veel volken kwijt zijn. Ik wil dat niet bagatelliseren, maar die verliezen zijn redelijk snel weer aan te vullen. Het is vooral het eerste jaar even doorbijten. Drie jaar geleden ben ik zelf drie van mijn vijf volken kwijtgeraakt. Dat was heel vervelend. Toch had ik zonder enig probleem hetzelfde jaar weer vier, vijf volken. Zodra er koninginnen worden geboren, splitsen volken zich en vliegt de helft weg met de oude koningin. Als je dat zelf in de hand hebt, kun je dat voorkomen door deze koningin met een deel van haar volk naar een andere kast over te brengen.

Ik had een leraar bijenteelt die ons leerde met blote handen te werken. Daar heb ik veel baat bij gehad. Handschoenen zijn niet nodig: je hebt daarmee weinig gevoel in je vingers en een handschoen raakt makkelijk bekneld tussen de raten. Dat alarmeert de bijen waardoor ze defensief kunnen reageren. De eerste twee jaar zwol mijn hand op als ik een steek kreeg, nu ben ik immuun. Je moet heel rustige bewegingen maken: vaak zit je met je handen tussen vijftigduizend bijen en word je niet één keer gestoken.

Dat omgaan met bijen vind ik fantastisch. Je blijft je verwonderen over wat zo’n bijenvolk gezamenlijk presteert. Het wordt daarom ook wel gezien als één individu, één geheel met de korf: de imme. Het leuke is dat je wel weet hoe dat organisme werkt en wat je theoretisch kunt verwachten, maar dat het toch ineens weer wat anders gaat dan je denkt.”

Noor Hellmann

    • Noor Hellmann