De markt van het grote vergeten

Het geheugen gaat achteruit als het niet meer geprikkeld wordt. Maar dat betekent niet dat je het geheugen als een spier kunt oppompen, met trucs en puzzeltjes. Douwe Draaisma

foto frans van lent Lent, Frans van

Zo nu en dan is een televisiereclame te zien waarin de actrice Nicole Kidman behaaglijk in een hoek van de bank is gekropen en puzzeltjes zit te maken op een spelcomputer. Ze blijkt in de weer met Dr. Kawashima’s Brain Training, een programma dat ook in artikelen over vergeetachtigheid in seniorenbladen wordt aanbevolen: ‘Hoe sneller en nauwkeuriger u speelt, des te hoger uw score – uw geheugenleeftijd zeg maar. Wie dit spel elke dag slechts enkele minuten speelt, stimuleert het denkvermogen, de creativiteit en concentratie.’ Voor de aanschaf moet de lezer naar de speelgoedwinkel. De training doet Kidman zichtbaar goed: ze bekijkt tevreden haar score, haar geheugenleeftijd is nog weer jonger dan ze dacht.

Niet alle opgaven ogen even ingewikkeld. Als 5 december op een woensdag valt, op welke dag valt dan 7 december? Als iemand iets van 1 euro moet afrekenen en met 5 euro betaalt, wat krijgt hij dan terug? Iets lastiger zijn opgaven als klokkijken op gespiegelde wijzerplaten of onder tijdsdruk het hoogste van een paar getallen aantikken. De snelheid waarmee je antwoordt wordt bijgehouden, je kunt je van voetganger (nog veel oefenen), via fietser (gaat vooruit) en auto (die kant moet het op) ontwikkelen tot sneltrein, vliegtuig en raket. De allerhoogste score voert naar de ideale geheugenleeftijd: twintig.

Dr. Kawashima bestaat echt. Ryuta Kawashima (1959) is een Japanse neuropsycholoog die doorbrak met bestsellers over geheugentraining. Op Google levert zijn naam anderhalf miljoen treffers op. Wie dezelfde naam intoetst op de ‘Online Contents’, een catalogus van internationale wetenschappelijke publicaties, krijgt een wat overzichtelijker aantal: Kawashima komt vanaf 1994 tachtig keer voor als co-auteur van artikelen over studies met beeldvormende technieken. De inzet is telkens welke delen van de hersenen betrokken zijn bij taken als het herkennen van gezichten, rekenen of hardop lezen. Geen enkel onderzoek gaat over geheugentraining. In interviews op internet verwijst Kawashima ook eerder naar de verkoopcijfers van zijn braintrainer dan naar effectstudies over geheugentraining.

gat in de markt

Geheugentraining heeft hier en daar industriële dimensies aangenomen. Seniorenbladen adverteren met trainingsprogramma’s, cursussen en therapieën. Vergeetachtigheid is ontdekt als gat in de markt. De van zoveel zijden aangereikte hulp – want er zijn ook geheugenversterkende kruiden in de aanbieding – lijkt uit te drukken dat het iedereen kan overkomen vergeetachtig te worden, maar dat het vervolgens een kwestie van eigen verantwoordelijkheid is het niet te blijven: er kan immers iets aan gedaan worden. Zo krijgt de verbetering van het geheugen zijn plaats in het grotere project van ‘succesvol ouder worden’. Geheugenklachten zijn zoiets als rimpels: je kunt het niet helpen dat je ze krijgt, maar dankzij de cosmetische chirurgie is het niet nodig dat je ze houdt. En dus zou je ze niet moeten hebben.

Maar kun je je geheugen werkelijk trainen? Deze simpele vraag is in werkelijkheid een van de moeilijkste die je een psycholoog kunt stellen. Als een arts met zijn patiënt praat over wat hij bij een ziekte of aandoening kan bieden heeft hij de keuze uit een omvangrijk repertoire van termen. Hij kan het hebben over herstel of verbetering, over medicijnen, revalidatie, therapie of behandeling. Maar hoe hij zijn woorden ook kiest, hij en zijn patiënt kunnen zich bedienen van een gedeelde woordenschat, rond ziekte is een genuanceerd ‘taalspel’ ontstaan. In de psychologie van het falende geheugen ontbreekt deze woordenschat. Discussies over wat er aan geheugenklachten valt te doen verlopen altijd zo moeizaam omdat zich geen taalspel heeft ontwikkeld dat recht doet aan de nuances van de kwesties die daarbij in het geding zijn.

Handleidingen bij geheugentrainingen hebben een mantra. Het is kort en het rijmt en iedereen kent het: use it or lose it. De verwarring begint al bij de interpretatie van deze bewering. Opgevat als ‘hou op je geheugen te gebruiken en het gaat achteruit’ is het helemaal waar. In ‘Geheugensteun’, een genuanceerd boek over ouderdomsvergeetachtigheid, beschrijven Ponds en Verhey hoe gebrek aan vertrouwen in het eigen geheugen een vicieuze cirkel in gang kan zetten. De patiënt – want dat is hij in de eigen waarneming al snel – weet zeker dat hij geen nieuwe dingen meer kan leren (‘Daar hoef ik echt niet meer aan te beginnen’), laat de bediening van nieuwe apparaten maar aan huisgenoten over, trekt zich terug uit sociale contacten uit angst iets te zeggen dat hij al eerder heeft gezegd, laat de afspraken telkens aan de partner over (‘Kunt u dat opnemen met mijn vrouw?’) en doet tenslotte helemaal niet meer zijn best ook nog maar iets te leren of te onthouden. De slechtste dienst die je je geheugen kunt bewijzen is het niet meer te gebruiken.

geheugen als spier

Maar in veel literatuur over geheugentraining wordt use it or lose it heel anders uitgelegd. Aansluitend bij de impliciete metafoor van het geheugen als spier wordt de klant, cursist of patiënt uitgenodigd te geloven dat je het geheugen door training kunt versterken. Het gaat dan niet meer om het tegenhouden van achteruitgang, maar om oppompen. En in die betekenis is het geheugen juist niet een spier.

Vaak wordt gewezen op geheugenwonders – geheugenwonders van nature of geheugenwonders door oefening. Maar wat uit analyses van hun prestaties blijkt, is eerder dat niet het geheugen zelf door training verbetert, maar het vermogen zich te bedienen van strategieën voor het opslaan van informatie, die dan ook nog eens uiterst selectief is. Dat het Ton Sijbrands gelukt is 25 partijen in een blindsimultaan te spelen heeft te maken met een gespecialiseerd geheugen, dat zich gevormd heeft in een leven van dammen en damliteratuur. Zijn goede geheugen beperkt zich daar ook toe: naar de groenteboer moet hij naar eigen zeggen een boodschappenbriefje mee.

Het geheugen van Sijbrands, hoe indrukwekkend ook, verschilt niet van de manier waarop het geheugen van een Proustkenner, een vogelaar, een Dylanfan, een vinoloog of willekeurig welke specialist of liefhebber zich vormt. Het ontstaat niet door ‘training’, het ontwikkelt zich door de wijze waarop het wordt aangesproken. Het zijn geheugens waarin associatienetwerken ontstaan die zich verdichten en tenslotte een voor de buitenstaander fabelachtige hoeveelheid feiten kunnen vasthouden. Een imposant geheugen is een product, van lang en toegewijd gebruik.

Een andere vaste wending, al even aanvechtbaar, is de bewering dat we maar een klein deel van ons brein gebruiken (zie kader). Het curieuze aan die semi-neurologische verwijzingen is dat de technieken die bij geheugentrainingen worden gepresenteerd niets te maken hebben met een beter brein. Ze vereisen eerder een mentale dan een neurologische investering. Je moet rijtjes woorden uit het hoofd leren waar je later de te onthouden zaken aan ‘ophangt’, ezelsbruggetjes inprenten of je aanwennen om te ‘visualiseren’, zodat je via het beeld weer uitkomt bij wat je moest onthouden. Behalve gekunsteld zijn veel trucs ook nogal bewerkelijk, zoals het bedenken van associaties bij nieuwe namen of het advies hoe de correcte spelling van ‘professor’ te onthouden: ‘denk aan de professor met één Fiets en twee Schoenen’. En dit is dan nog maar ‘professor’, het verhaal bij ‘parallellogram’ is drie keer zo lang. Wie van plan is al die goede raad op te volgen moet om te beginnen over een goed geheugen beschikken. Effectstudies wijzen uit dat de nieuw geleerde geheugentechnieken in het dagelijks leven bijna niet gebruikt worden. Het is vervelend als je niet op de naam van een kennis kunt komen, maar niemand zal zo gek zijn om zijn hele vrienden- en kennissenkring preventief door een molen van zelfverzonnen associaties bij hun namen te halen. Aan niet op woorden kunnen komen is al helemaal niets te doen.

Geheugentechnieken werken naar verhouding het beste bij informatie, zoals pincodes, wachtwoorden of de volgorde van bepaalde bewerkingen, en juist die kun je net zo goed even opschrijven. ‘De bleekste inkt is beter dan het voortreffelijkste geheugen’, wist Confucius al. Iemand die het betreurt dat zijn geheugen achteruitgaat, denkt ook niet in de eerste plaats aan pincodes of namen, hij vindt het jammer dat hij merkt dat hij zo weinig weet te vertellen over een film die hij vorige week heeft gezien of dat hij een boek dat hij na een pagina of tien een paar dagen had weggelegd het beste weer even vanaf het begin kan lezen. Dit is een achteruitgang waarvoor, helaas, geen geheugentechniek bestaat. Veel van wat onder het kopje ‘verbeter uw geheugen’ wordt aangeboden komt neer op het leren van trucs om de effecten van achteruitgang op te vangen. Wie gelooft door die trucs – of de puzzeltjes van dr. Kawashima – een beter geheugen te krijgen gelooft waarschijnlijk ook dat je door een rollator beter gaat lopen.

De mantra ‘use it or lose it’ is alleen waar in de bescheiden uitleg ervan. Uit overweldigend veel onderzoek blijkt dat het geheugen achteruit gaat als het niet meer geprikkeld wordt. De beste manier om het niet zover te laten komen is actief te blijven. Wie één voor één de vroegere activiteiten – bestuurswerk, theaterbezoek, leesclubs – begint weg te strepen, ondermijnt het eigen geheugen. Het goede nieuws is dat die sociale activiteiten ook genoeg zijn. Ze bevatten alle variatie en uitdaging die nodig is om het geheugen op peil te houden. Méér doen maakt het geheugen niet nog beter.

Geheugenversterkende kruiden of supplementen van vitaminen of mineralen berusten op een soortgelijke denkfout. Er zijn wel stoffen geïdentificeerd die geheugenstoornissen kunnen veroorzaken als ze in ons voedsel ontbreken, zoals vitamine B1, dat bij langdurig gebrek uiteindelijk tot het syndroom van Korsakov leidt. Maar dat wil niet zeggen dat toevoeging van vitaminen boven het gezonde niveau tot een extra goed geheugen leidt. Een gebrek opheffen helpt, een overschot aanleggen niet.

Hoe actief ook de levensstijl, hoe gevarieerd ook het bestaan, bij het ouder worden gaat de conditie van het geheugen langzaam achteruit en dat is volkomen natuurlijk. Van commerciële zijde worden ouderen uitgenodigd dat anders te zien. De handel die rond het geheugen op gang is gekomen ziet vergeetachtigheid graag verschuiven van normaal naar pathologisch, van iets wat bij het ouder worden hoort naar een symptoom – want een symptoom verwijst naar ziekte en bij ziekte horen medicijnen, therapieën, kruiden, supplementen en wat er verder maar te koop is op de markt van het vergeten. Op deze markt heeft men het liefst klanten die zichzelf als patiënt zien.

Achter de zorgen over vergeetachtigheid steekt vaak de angst voor iets ergers. Als dementie tot uitdrukking komt in problemen met het onthouden, waarom zou vergeten een boodschap door te geven of niet meer weten waar je je autosleutels hebt neergelegd dan niet het eerste kunnen zijn van wat je zelf merkt van beginnende dementie? Veel mensen die zich bij de huisarts of een geheugenpoli melden geven aan dat ze met hun vergeetachtigheid nog wel kunnen leven, zolang die maar niet de voorbode is van dementie. Gelukkig kunnen de meeste mensen gerustgesteld worden. De kans op dementie neemt toe met de leeftijd, maar komt voor mensen boven de 65 jaar toch niet boven 5 procent uit.

worried well

De toegenomen kennis over de ziekte van Alzheimer en andere vormen van dementie heeft geleid tot een almaar grotere gemeenschap van wat in de Amerikaanse literatuur de worried well genoemd wordt: mensen van middelbare leeftijd die een vader of moeder met Alzheimer hebben en zo bezorgd zijn het later ook te krijgen dat het hun leven nu al belast. Ze vertonen geen enkel symptoom van dementie, maar zijn voortdurend op zoek naar de eerste tekenen ervan. Wat een ander normale vergeetachtigheid zou vinden, door verstrooidheid of stress, is voor hen de bevestiging van beginnende dementie. Ook het lijden dat men vreest is lijden: ze kunnen door het vooruitzicht het lot van hun ouders te zullen delen in een depressie glijden en ongelukkigerwijze zijn de verschijnselen van een depressie weer funest voor de conditie van het geheugen. Statistisch gesproken neemt de kans dement te worden niet heel veel toe als een van de ouders dement is (van 5 naar nog geen 10 procent), maar door statistiek laten de worried well zich niet meer geruststellen, die heeft hun ouders tenslotte ook niet gespaard.

koffiezetten

Geruststelling is eerder te verwachten van inzicht in de verschillen tussen ouderdomsvergeetachtigheid en dementie. Het eerste is natuurlijk en normaal. Vrijwel iedere oudere heeft er last van. Dementie is een ziekte. Ouderdomsvergeetachtigheid is vervelend en lastig, maar maakt niet hulpbehoevend, dementie wel. Dementie tast behalve het geheugen ook het vermogen aan de dagelijkse dingen te doen, zoals aankleden, koffiezetten, autorijden. Iemand die dementeert, kan op zijn horloge kijken en zich realiseren dat het niet tot hem door wil dringen hoe laat het is.

Zelfs waar ouderdomsvergeetachtigheid en dementie elkaar lijken te raken, op die momenten dat het geheugen faalt, zijn er in werkelijkheid telkens beslissende verschillen. Wie vergeetachtig is, kan even kwijt zijn wie er net ook al weer belde, maar niet dat er gebeld werd. Hij is misschien wat details kwijt van iets wat gisteren gebeurde, maar kan er wel aan herinnerd worden. Wie dementeert, heeft niets meer om aan herinnerd te worden. Het verschil komt zelfs tot uitdrukking in het gebruik van geheugensteuntjes. Wie vergeetachtig wordt, zal zich vaak bedienen van notities en memopapiertjes, opgehangen op strategische plekken. Wie dementeert doet hetzelfde, maar is al snel helemaal kwijt waar ze hem eigenlijk aan moeten herinneren. Er kan wel op staan ‘Karel bellen’, maar wat dan tegen Karel te zeggen? Welke Karel trouwens? De meeste mensen die op geheugenpoli’s verschijnen doen zo gedetailleerd verslag van wat ze de afgelopen tijd zoal vergeten waren dat ze dáár eigenlijk al door gerustgesteld zouden moeten zijn.

Dit artikel is een ingekorte versie van het gelijknamige hoofdstuk in het zojuist verschenen boek De heimweefabriek. Geheugen, tijd en ouderdom, Historische Uitgeverij, Groningen.

    • Douwe Draaisma