Vergeet de wereld

Wie jong is kan verlangen naar de oogst van herinneringen die hem in de tweede helft van het leven ten deel valt. Maar wat als het geheugen ziekelijk bedrieglijk lijkt?

‘Fragment van een nieuwe lente’, een kunstwerk van Anna Verwey (1935-1980) Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Ouder worden is niet iets waar ik om heb gevraagd, maar ik heb me er wel terdege op verheugd. Op een of andere manier ben ik er altijd van uitgegaan dat ik eens beter zou begrijpen hoe ik moet leven dan nu. Ik ben er al vroeg van overtuigd geraakt dat ik door te lezen tot het betere begrip zou komen. En ik verheugde mij er op eens een rijk voorzien geheugen te hebben. De boeken die ik het liefst las blaakten van deze rijkdom. Vestdijk, Nabokov, Borges, Proust waren mijn eerste prozahelden. Ze zijn typische ‘tweede helft’- schrijvers, die de eerste helft van hun leven leken te beschouwen als de periode waar ze, als een graanschuur, gevuld waren.

Het was prettig om zo over mijn leven te denken, want het verklaarde waarom dat wat ik schreef zo schamel afstak bij wat ik het liefst las, zonder dat het me ontmoedigde. Wacht maar tot mijn geheugen even rijk is voorzien, met gedachten en inzichten van overwegend Rijkvoorzienen. En het verzoende me enigermate met het ledige leven dat ik leidde: ik deed eigenlijk weinig anders dan lezen. En nog altijd is lezen voor mij wat wind is voor een zeilboot. Als ik niet lees gebeurt er niets. Niet dat ik met tegenzin mijn vrouw omhels of met mijn vrienden eet of in de Lunetten mijn zwembaantjes trek of in de Heilige Mis opga, natuurlijk niet – maar als ik lees (of luister naar een verhaal) gebeurt er écht iets. En dankzij het gelezene (het vertelde) wordt mijn leven soms reëel.

Ik heb me er, met andere woorden, op verheugd om ongeveer zo oud te zijn als ik nu sinds mijn vijftigste, zes jaar geleden, ben. Ik ben de Tweede Helft binnen gedreven.

Er is een kink in de kabel gekomen, zoveel is duidelijk – anders schreef ik dit niet. Ik heb mij verheugd op iemand die ik niet geworden ben. En om eerlijk te zijn: ik voelde dit al ongeveer anderhalf decennium geleden aankomen, rond mijn veertigste. Dat was toen ik mijn eigen kinderen, de oudste nog net niet op de middelbare school, de andere in groep zes, begon te beschouwen als wezens zonder geheugen. Ik kwam tot dit inzicht tijdens het kijken, samen met de oudste, naar de videoband met daarop een van de legendarische optredens van Jozef van den Berg, de onvergetelijke poppenspeler. Deze video was al zeker drie jaar in ons bezit. Samen met Mon oncle van Jacques Tati en het eerste uur van Napoléon van Abel Gance, behoorde de Van den Berg-band tot de meest afgespeelde in ons gezin.

Het zal een woensdag zijn geweest, eind van de middag, en de oudste en ik keken naar iets wat hij vermoedelijk meer dan honderd keer had gezien, en ik zeker twintig keer. We moesten lachen, op de momenten waarop hij al honderd keer had gelachen, en ik zeker twintig keer, en plotseling, vraag me niet waarom, wist ik zeker dat niet het onthouden, het geheugen, de kwestie was, maar: het vergeten. Wat zich hier, in de paradijselijke schouder- aan-schouderse beslotenheid van ons gezin, voltrok – en wat zich vermoedelijk altijd voltrekt als mensen zich laten opnemen in een fictie, in een wereld, in hun lectuur – dat kan alleen omdat wij kunnen vergeten.

Natuurlijk, het valt niet uit te sluiten dat er zoiets bestaat als het ‘geheugen’. Het zou best kunnen zijn dat het zin heeft om mensen te beschouwen als begiftigd met een vermogen om uit dit geheugen te ‘putten’, en er ‘data’ in ‘op te slaan’, wat we dan zelfs ‘onthouden’ kunnen noemen – zonder onze preoccupatie met dit alles zou er vast en zeker geen sprake zijn van wetenschap en nijverheid. Maar als we nadenken over kunst, verbeelding, fictie en, vermoedelijk ook, over religie, is het misschien vruchtbaarder om bij het vergeten te beginnen.

Vervolg op pagina 2

Waarom het lezen anders gaat wanneer je ouder wordt

Wat wij deden, op woensdagmiddag, was genieten van iets wat wij beeldje voor beeldje al kenden. Met enige inspanning hadden we, zonder de video af te draaien, samen kunnen proberen ons te herinneren wat we te zien zouden krijgen – en ik denk dat we een heel eind zouden zijn gekomen, en we zouden zeker ook om onze herinnering hebben moeten lachen. Maar dat deden we dus niet. We lieten de videobeelden in de plaats van onze herinnering komen, en vergaten exact dat wat we zagen. Daar komt het, als ik dit fenomeen goed begrijp, toch op neer. Terwijl we Jozef van den Berg van de gerimpelde radiatorpijp zijn onsterfelijke rupsje zagen maken, vergaten we dat we Jozef van den Berg al lang zijn rupsje hadden zien maken. Het rupsje voltrok zich voor het eerst en ter plekke, het ontstond.

Lezen, of: in een dramatische handeling worden opgenomen, of in een film, of in het kijken naar een schilderijententoonstelling, houdt in dat we uit de realiteit worden gehaald om in een andere, een inwendige, geplaatst te worden. We kunnen over het bewustzijn niet anders spreken dan over een ‘binnen’, een ‘innerlijk’ – op een of andere manier zitten we aan ruimtelijke categorieën vast. Daarom laat datgene wat ik bedoel zich beschrijven als een zone.

Als ik lees vergeet ik de ruimte waar ik ben en word ik gevuld met een nieuwe ruimte, een zone. Die betreed ik terwijl hij mij al lezend vult. Natuurlijk maak ik gebruik van wat ik weet (en wat dus ‘ergens’, in mijn geheugen, moet zijn opgeslagen) om in deze nieuwe zone te kunnen opgaan, maar op een essentiële manier schakel ik mijn herinnering ook uit. Daarom zeggen we dat iemand die leest de wereld vergeet.

Toen ik mij als jonge schrijver verheugde op de ouderdom miskende ik de magie van het vergeten. Misschien had ik mij de verkeerde voorbeelden gekozen – Vestdijk, Nabokov, Proust zijn fenomenale onthouders, schrijvers met een bijna religieuze idee over de ‘hervonden tijd’ als raison d’être. Ze zijn de vaders van veel literatuur van mijn generatie – het Revisor-proza, dat het herinneren en het kennende bewustzijn sacrosanct verklaarde. Er kon niet meer geloofd worden in een God, als er dus al een Vervulling bestond, dan kon die alleen gevonden worden in de herinnering. ‘Het is volbracht’ zou alleen kunnen worden geslaakt als alles herinnerd was, en een boek geworden.

Maar nu ik zelf in de Tweede Helft ben beland, moet ik om te beginnen bekennen dat ik mij indertijd schromelijk vergist heb in mijn eigen toekomstige geheugen. Het is zwak, lapidair en vooral: ziekelijk bedrieglijk. Wat Joran heeft met Natalee, heb ik al bijna vijfentwintig jaar met vrijwel alles wat ik mooi of betekenisvol gevonden heb: ik bedenk er steeds een andere versie van.

Een van mijn nachtmerries is: een misdrijf zien en moeten getuigen, en dan per verhoor steeds onherroepelijker de hoofdverdachte worden. Honderden keren heb ik films aangeraden op grond van gedetailleerde beschrijvingen van scènes die er in het geheel niet in voorkomen. Ik geef soms les aan scenarioschrijvers, en er is één scène, het begin van Le samourai (van Jean- Pierre Melville), die ik eerst navertel – om de studenten in de ‘juiste’ kijkhouding te zetten – en daarna blijkt zeven op de acht keer de scène zo drastisch af te wijken van wat ik heb verteld, dat de discussie daarna over mij en mijn ‘geheugen’ gaat, in plaats van over de meesterlijke manier waarop Melville de inleving organiseert en ons de zone van zijn film in leidt.

En niet zelden ben ik verongelijkt, op het panische af – ik kan niet goed begrijpen dat de meeste andere mensen echt de ene versie van bijvoorbeeld het verhaal van hun eerste ontmoeting onthouden en daar niet meer van afwijken.

Zelfs van klassieke, woord voor woord memoriseerbare gedichten herinner ik mij regels die bij nader onderzoek uit gedichten van mezelf afkomstig blijken te zijn – met als gevolg dat ik in groeiende mate in een staat van plagiatofobie ben komen te verkeren. Wie garandeert mij dat het niet even zo vaak andersom is – en dat een belangrijk deel van mijn met diverse gemeentelijke prijzen bekroonde gedichten niet uit het oeuvre van voorgangers afkomstig is?

Het is duidelijk: ik ben een vergeter geworden, geen herinneraar. Het idee dat ik langs een lineaire, koraalrifachtige weg zou groeien en een betrouwbare Tweede Helfter zou worden, was onjuist. Op een of andere manier ben ik erin geslaagd om even weinig aan mijn huidige geheugen te hebben als ik aan mijn eenentwintigjarige geheugen had, toen ik debuteerde. Dankzij het vergeten is er een wet van het behoud van herinneringsmassa in werking getreden.

Niemand heeft mij hier voor gewaarschuwd – wat misschien logisch is, als je bedenkt dat vrijwel iedereen gedurende dezelfde periode aangesloten is geraakt op het Uitwendige Geheugen, ook wel het Web. Daardoor is een groot deel van de mensheid in de waan komen te verkeren dat het beschikt over een gegroeid geheugen. Ik heb de stap op internet niet gemaakt, op irrationele, intuïtieve gronden. Uit angst, gedeeltelijk: ik vrees de verificatie van wat ik vertel dat ik gelezen of gezien heb. G.K. Chesterton, in mijn ogen één van de beste essayisten van de vorige eeuw, zei tegen zijn secretaresse dat zij nimmer de passages uit andermans werk die hij citeerde mocht controleren op juistheid. Hij wist dat als hij ze goed onthouden had, hij niet zijn essay zou hebben geschreven.

Het idee dat ieder spoor dat je op internet nalaat byte voor byte opgeslagen wordt, maakt me stuurs. Ik weet het, in de gewone werkelijkheid worden mijn boeken langzaamaan niet meer herdrukt, verdwijnen zij uit de boekwinkels, verkruimelen ze in vergeten bibliotheken. Misschien is dit geen pretje, maar het maakt me ook vrij. Ouder worden betekent boven alles: de draad oppakken, van gedachtegangen die je in vorige levensfasen hebt ontwikkeld. Vaak zijn het vergeten opvattingen, die in hun plotseling herinnerde toestand inspirerender zijn dan zoals ze letterlijk waren opgeschreven. Ik verkies het vergeten oeuvre boven het letterlijk herinnerde. Kennelijk wil ik om zo te zeggen al levend kunnen sterven, om weer door te gaan. In de virtuele werkelijkheid van het absolute geheugen bestaat de dood niet en dus ook geen wederopstanding.

Maar er is een belangrijkere reden om niet het web op te gaan: ik vrees dat internet mijn finale zone wordt. Het klinkt ongetwijfeld primitief – maar ik vrees dat ik de zone van de literatuur, van de fictie, zal vergeten, zoals ik de wereld vergeet als ik in de zone van het lezen beland. Dat laatste, het vergeten van de wereld ten gunste van een heden dat zo lang je er in verzonken bent zijn eigen verleden en herinneringen genereert, ben ik gaan beschouwen als het grootste privilege dat mij ten deel is gevallen. Het is, inderdaad, een geschenk, en het heeft de mysterieuze eigenschap elke keer dat ik begin te lezen opnieuw overhandigd te worden. Daarom brengt het ouder worden, zij het op een heel andere manier dan ik heb kunnen verwachten, dat waar ik mij op verheugde. Niet omdat ik ‘tot beter begrip’ ben gekomen, maar omdat, om met de dichter Chris J. van Geel te spreken, ‘het raadsel helderder wordt’.

We kunnen zelfs vergeten dat iemand dood is – en altijd is dat het moment waarop hij of zij levend in ons bewustzijn verrijst.

Zelfs het vooruitzicht dat mijn geheugen eens, als ik de Derde Helft inga, smadelijk en hinderlijk zal slinken, wordt verlicht door het idee dat ik, wie weet, mijn vergeetachtigheid zal kunnen vergeten. Door te lezen, en als dat niet meer kan, te luisteren. En als dat niet meer kan?

In de Moederkerk, waarin ik opgenomen ben, en aan wier rituelen ik naar vermogen deelneem, bestaat er een vreemde gewoonte, die ‘bidden’ wordt genoemd. Er zijn twee vormen van gebed: het ene doet men ‘in eigen bewoordingen’, of ‘met eigen intenties’, of, zoals Paulus het noemt, met persoonlijke ‘verzuchtingen’. Het andere doet men per vaststaande tekst. Het meest gebruikte is het Onze Vader, dat is het gebed waarvan het Evangelie zegt dat het de woorden ‘zijn die Jezus ons gegeven heeft’. Degenen die het niet kennen zullen het vast en zeker op het web kunnen vinden, ongetwijfeld op www.paternoster.nl.

Wie leert bidden, ontdekt na verloop van tijd dat hij het Onze Vader kan bidden zonder dat de betekenis ervan tot de hersenen, of het begrip, doordringt. Hij of zij reproduceert het inwendig, om zo te zeggen gedachtenloos. Ik geloof dat door echte geloofsdeskundigen als Kuitert ernstig gewaarschuwd wordt tegen zulk bidden ‘via de ruggegraat’, maar ik denk dat dat kortzichtig is. Iets zegt mij dat het Onze Vader voor mensen die een biddend leven hebben mogen leiden, het laatste is wat zij denken. Ik zeg met opzet niet: wat zij onthouden zullen hebben. Ik verkies het te denken dat het Onze Vader de laatste zone is die we begaan; de laatste keer dat we de wereld kunnen vergeten. Waar het altijd om te doen was. Een mensheid geleden al, toen we voor de honderdste keer naar de rups van gerimpelde radiatorpijp keken.

    • Willem Jan Otten