Straks eet een koe mij op

Filosofisch, microbiologisch, naïef en achteloos. Leo Vroman, nu 92, benadert de dood in zijn recentste bundel op uiteenlopende, maar nooit deprimerende manieren.

Tekening Peter van Dongen Dongen, Peter van

Leo Vroman: Nee, nog niet dood. Querido, 107 blz. €16,95

Hoe zou het zijn om de dood in de ogen te zien? Het is een vraag om voor terug te deinzen, maar dat doet Leo Vroman niet. Hij is al zo oud, 92 jaar, dat hij zelfs kan doen alsof hij hem niet herkent. ‘Toen ik hem weer eens ontmoette / wou ik hem eerst niet herkennen, / wist hem nauwelijks te begroeten / en moest opnieuw aan hem wennen’. Achteloos toontje, als ging het om een toevallige ontmoeting op straat, laatst, met wie was het ook alweer. En hoe zou het zijn om al weer zo lang op de rand van het leven te staan en te weten dat de dood niet ver meer is? Zou er alleen een afgrond zijn, of ook een overkant?

Vroman: ‘Ik sta wankelend aan de rand / van de Ware Diepe Betekenis / te staren of er een teken is / van de rare overkant’. Het gaat over leven en dood, maar let ook even op het soepele binnenrijm ware – staren – rare. En op het opzichtige herhaalrijm betekenis – een teken is. En op de ironiserende hoofdletters van de Ware Diepe Betekenis. Vroman geeft toe dat hij wel eens een verlangen voelt om die afgrond te leren kennen: ‘en voel in mijn voeten de weeë lust / om die luchtzee maar in te springen’. Maar dan is het kloofmoment weer weg en herneemt de dagelijkse gang van zaken zijn loop. Huishouden, koffie, babbel met Tineke. ‘Het is weer maandag vandaag. / We hebben het bed afgehaald, / weer een zakdoekje gevonden, // ik vraag ‘Koffie?’, zij zegt weer ‘Graag’, / en ik denk weer ‘Dit is bepaald / alweer niet mijn laatste seconde.’’ Geen grootse poëzie, maar het laat wel goed zien hoe alledaags bij Vroman het denken over de dood is geworden.

‘Alweer niet mijn laatste seconde’: het is een van de variaties op de titel van Vromans nieuwste bundel Nee, nog niet dood. Daarin onderzoekt hij zijn uitzicht op de toekomst. Nieuwsgierig, vol verwondering, zo te zien zonder veel angst. Hoe zou het moment van de dood zelf zijn? Dit is een van de vele voorstellingen ervan: ‘ik verwacht / het wit licht van een meteoriet / eerst boven de benedenstad, / dan langs het park, de rivier / dan een tiende seconde hier / haastig langs het raam zodat / de dingen ijzerscherpe / maaiende schaduwen werpen/ en ze maaien de wereld plat’.

Dan zijn er de fantasieën over de hemel en andere vormen van hiernamaals. Er is ook de mogelijkheid van voortbestaan op het niveau van moleculen en atomen en kleine deeltjes. Vroman houdt van koeien en van het aaien van koeien (geen dichter die zo veel aait als Vroman), maar hij kan niet ontkennen dat hij ook nog steeds van biefstuk houdt. Daar voelt hij zich schuldig over. Hij komt nu met een mooie tegenprestatie. Als hij straks, na zijn dood, gras wordt, gelijk alle vlees, dan kan hij door een koe worden opgegeten. Dan ‘kan ik misschien opnieuw beginnen / en aai ik haar eindelijk van binnen’.

Naast deze microbiologische benadering van de ongewisse toekomst is er de kinderlijke benadering. Misschien is in de hemel alles wel blauw: ‘blauwe kopjes, blauwe kommen, / en veel blauwe vazen’. Of de filosofische: als ik sterf, sterft ook mijn dood, ‘dus wat hindert het?’ Of de naïeve: we weten er allemaal niets van. Of, in het verlengde daarvan: misschien is alles wel heel anders dan we denken. Vroman noemt de mannetjesbidsprinkhaan die terwijl hij paart door zijn geliefde wordt onthoofd, waarna ‘zijn hartstochtelijk overschot / zich dan met ongeremd genot / openhartig neukend uit / en in haar buik dood spuit’. Zo brengt de dood nieuw leven. Wie weet wat hij nog in petto heeft.

Voor een ouderdomsbundel is de toon opmerkelijk monter en vrolijk. Zoals altijd bij Vroman staat hier van alles naast en door elkaar: kort en lang, strak en vrij, Engels en Nederlands, voorval en beschouwing, grap en sprookje, psalm en politiek, wetenschap en woordspel. Alleen af en toe dringt er iets van vrees door de opgewekte buitenkant heen: in fantasieën over hoe het straks zal zijn voor de een (Tineke of Leo Vroman) die zal achterblijven.

Een gerontologische studie of degelijke analyse van het verschijnsel ouderdom is deze bundel niet. Hij heeft de losse structuur van een dagboek. Een aanleiding voor een gedicht is nog altijd snel gevonden. Soms zelfs zijn er mogelijkheden te over. Dan ontstaat een multiple choice-gedicht:

In het jaar twee duizend zeven

a) verloor Vroman het leven

b) leefde Vroman nog even

maar ondanks dat

a) schreef hij nog wat

b) was hij het zat

en in twee duizend acht

a) toch nog onverwacht

b) kwam de grote nacht

Kruis zelf het goede antwoord aan. Ik denk: ook in tweeduizendnegen a) zit Vroman niet om een rijmwoord verlegen en b) komen we hem dus vanzelf weer in de boekhandel tegen.

    • Guus Middag