‘Seks moet functioneel zijn’

Wat is een goede en wat is een slechte biografie? ‘Alle feiten moeten terug te voeren zijn naar bronnen’, zegt de Groningse hoogleraar Hans Renders. Maar er zijn nog veel meer richtlijnen.

Hans Renders: ‘Een biografie moet lezen als een biografie’ Foto Sake Elzinga Nederland - Groningen - 04-03-2008 Rijksuniversiteit Groningen, Prof. dr. Hans Renders. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

‘Biografieën zijn nieuwe interpretaties van oude levens’, zegt Hans Renders, die deze week aan de Rijksuniversiteit Groningen de leerstoel ‘Geschiedenis en theorie van de biografie’ aanvaardde. Het thema van de Boekenweek ‘Van oude mensen’ sluit er perfect bij aan: het verhaal van de ‘oude levens’ neemt in Nederland een hoge vlucht. Renders vermoedt dat het succes van het biografische genre voor een groot deel te danken is aan het uitgevers- en subsidiebeleid en natuurlijk aan de grote belangstelling ervoor van media en publiek.

„De tijd is voorbij dat Nederland op biografisch gebied achterloopt bij landen als de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Duitsland. Aan de lopende band verschijnen prachtig uitgegeven en zorgvuldig samengestelde levensverhalen van politici, wetenschappers, schrijvers en kunstenaars.” In 2004 richtte Renders, gepromoveerd op een biografie van de dichter Jan Hanlo, het Biografie Instituut van de Universiteit van Groningen op, waarvan hij directeur is. Dinsdag hield hij zijn oratie onder de titel ‘De zeven hoofdzonden van de biografie’. Maar wat nu precies die hoofdzonden zijn en welke biografen zich daaraan in zijn ogen schuldig maken, wordt uit de tekst van de oratie niet direct duidelijk.

„Ik vond het saai”, zegt Renders, „om een opsomming te geven van de fouten waaraan biografen zich kunnen bezondigen, dus ik heb die een beetje over mijn verhaal uitgesmeerd. Maar ik bedoel gewoon de klassieke zeven hoofdzonden: hoogmoed, gramschap, hebzucht, wellust, onmatigheid, wrok en luiheid. En nee, ik heb expres geen Nederlandse biografen de maat genomen, want dan gaat alle aandacht daar alleen maar naar uit.”

Van hoogmoed beticht Renders biografen die menen dat een biografie tot de ‘literatuur’ behoort. „Een biograaf is eerder een historicus dan een literair schrijver, het gaat in de eerste plaats om de zorgvuldigheid van het onderzoek dat aan de biografie ten grondslag ligt. Als over een biografie gezegd wordt dat hij leest als een roman, vind ik dat geen groot compliment. Een biografie moet lezen als een biografie.”

Biografen die zich bezondigen aan ‘gramschap’ lijden volgens Renders aan ideologische vooringenomenheid. „Feministische biografen vertonen nogal eens de hebbelijkheid dat zij het vermelden van privé-gegevens over vrouwen rolbevestigend vinden. Om die reden is er nog altijd geen biografie van de voormalige KVP-minister Marga Klompé. Als je alleen over haar politieke leven zou schrijven krijg je natuurlijk geen interessante biografie. Trouwens, op een enkele uitzondering na, zijn alle politieke biografieën in Nederland nog altijd min of meer ‘verzuild’. Een biografie van Den Uyl zoals van Anet Bleich komt uit de linkse hoek. De biografie van Colijn door Herman Langeveld, is niet voor niets geschreven door iemand uit een gereformeerd milieu. Dat is ook niet zo vreemd. Als ik niet zelf uit het katholieke zuiden afkomstig was, had ik de denkwereld van Jan Hanlo nooit goed kunnen doorgronden en was mijn biografie over hem een heel ander boek geworden.”

Voor de biografische zonde van de hebzucht verwijst Renders naar een uitspraak van Richard Holmes in zijn Huizingalezing van 1997: ‘Begeert niet uw buurman de romancier. In het huis van de non-fictie zijn evenveel kamers als in dat van de fictie.’ „Hebzuchtig ben je”, vindt Renders, „als je alle kamers wilt bezetten, zoals Dorine van Oort in haar boek Vrouw in de schaduw, waarin fictie en non-fictie door elkaar lopen. Een kenmerk van non-fictie is dat alle feiten terug te voeren moeten zijn op bronnen. Bij Van Oort is dat niet zo, haar boek is schandalig omdat ze bestaande mensen zonder spoor van bewijs van allerlei dingen, inclusief poging tot moord, beticht. Als excuus voor het feit dat haar verhaal de toets van betrouwbaarheid en bewijsbaarheid niet kan doorstaan heeft ze het ‘roman’ genoemd.”

‘Wellust’

Verbazingwekkend voor een biograaf die niet schroomde de sekslevens van de pedofiele dichter Jan Hanlo en de promiscue journalist/dichter Jan Campert te beschrijven, is dat hij ook ‘wellust’ tot de hoofdzondes van biografieën rekent. „Natuurlijk horen kwesties als homoseksualiteit en overspel thuis in een biografie van iemand wiens leven daar voor een belangrijk deel door is bepaald”, geeft hij toe. „Maar de biograaf van Bill Clinton, Nigel Hamilton, betoogde in zijn vorig jaar verschenen Biography. A Brief History dat de moderne biografie zich pas heeft kunnen ontwikkelen toen het niet meer nodig was te zwijgen over iemands seksuele leven. Ik ben het daar totaal niet mee eens. Veel belangrijker voor de ontwikkeling van de moderne biografie is de aandacht voor het persoonlijke leven van individuen, die heeft geleid tot het leggen én verklaren van bredere verbanden. Het verschil tussen de traditionele en de moderne biografie zit hem in het interpreterende karakter ervan. Ik heb niets tegen het onthullen van seksuele aberraties, maar die moeten een verklarende functie hebben. Ik maak verschil tussen ‘high and low biography’. Dat ‘laag’ of ‘hoog’ heeft niets met de gebiografeerde te maken, maar met het karakter van de biografie. Je kunt een high biografie schrijven over een populaire filmster of sportidool en een boulevardachtige biografie van een groot schrijver of staatsman. Een van de kenmerken van een ‘low biography is dat het daarin voornamelijk om de wellust draait. De low biography heeft grote aandacht voor wellust, maar vaak om een reputatie te bevestigen die we al kenden van een liederlijke popster of een acteur die zes keer is getrouwd.”

Aan ‘onmatigheid’ maken biografen zich schuldig die streven naar volledigheid. „Een serieuze biograaf moet alles onderzoeken, maar je hoeft echt niet alles op te schrijven, zoals Kees Snoek in zijn biografie van E. du Perron heeft gedaan.” In zijn oratie noemt Renders echter niet het boek van Snoek als voorbeeld van onmatigheid , maar de dubbelbiografie van Evelien Gans over Jaap en Ischa Meijer, waarvan onlangs het eerste deel verscheen: „Er is veel goeds over dit boek te zeggen, maar de ambitie om aan de hand van Jaap Meijer de geschiedenis van het jodendom in Nederland te behandelen gaat wel wat ver, zelfs al zou Jaap Meijer tot de belangrijkste joodse historici van zijn tijd gerekend kunnen worden”.

De formulering ‘gaat wel wat ver’ is als wetenschappelijke kritiek op de aanpak van zijn collega hoogleraar Evelien Gans niet erg precies. Renders: „Ik bedoelde alleen maar te zeggen dat ik haar biografie té ambitieus vind en misschien ook een beetje ongerijmd, omdat Jaap en Ischa Meijer juist niet prototypisch zijn voor het Nederlandse jodendom. Maar wat zij geschreven heeft over hun kampervaringen in Westerbork en Bergen-Belsen behoort tot het indringendste dat ik daar ooit over gelezen heb. Misschien had ik mij bij de voorbeelden van de zonde der onmatigheid moeten beperken tot de biografie van Musil door Karl Corino, 2026 pagina’s dik, waarin de politieke ontwikkelingen van Duitsland, Oostenrijk én Zwitserland in de eerste helft van de 20ste eeuw uitputtend behandeld worden. Een biografie van een persoon aangrijpen om de geschiedenis van de mensheid te beschrijven is niet nodig.”

Renders beticht biografen die te veel ‘contextualiseren’ en alles opschrijven wat ze bij hun onderzoek aantreffen, van onmatigheid, maar zij die te weinig onderzoeken en bij gebrek aan kennis essentialia weglaten van luiheid. „Dat komt vooral voor bij biografen die te dicht op de persoon blijven zitten. Neem de biografie van de Antilliaanse schrijver Cola Debrot door J.J. Oversteegen. Daarin gaat het uitvoerig over de inkorting van de achtertuin van de buren, terwijl we niet mogen weten onder welke naam en in welk tijdschrift hij debuteerde. Dat vergde kennelijk te veel uitzoekerij.”

Vraagtekens

Tegenover al deze zonden stelt Renders als hoogste deugd dat de biografie nooit uit het experimentele stadium is gekomen. „Afhankelijk van het onderwerp, de aard van het bronnenmateriaal en het onderzoek heeft de biograaf de vrijheid naar eigen goeddunken een passende vorm te vinden. Niemand schrijft voor dat een biografie chronologisch of juist thematisch van opzet moet zijn, of dat een levensverhaal niet nog honderden pagina’s mag doorgaan als de hoofdpersoon al dood is.” Renders plaatst vraagtekens bij de opdracht aan schrijvers die meewerken die een tweede door het Prins Bernhard Fonds gesubsidieerde biografieënreeks dat zij niet meer dan driehonderd pagina’s mogen schrijven. „Het is mooi dat de Den Uyl-biografie van Anet Bleich tot zo’n 500 pagina’s beperkt is gebleven, maar als een biografie 1000 bladzijden echt nodig heeft, moet dat ook kunnen.”

Renders geeft zijn promovendi geen richtlijnen over hoe ze een biografie moeten schrijven. Hij biedt ondersteuning bij het onderzoek en schakelt daar specialisten van allerlei disciplines voor in. „De wetenschappelijke wereld staat nog een beetje onwennig tegenover het genre vlotgeschreven high biography’, hoewel er al talrijke wetenschappelijk verantwoorde biografische proefschriften zijn verschenen. Voor een deel berust die onwennigheid misschien op jaloezie van academici die niet kunnen schrijven en daarom doen alsof wetenschappelijke publicaties per definitie onleesbaar moeten zijn. Maar de grootste zonde van een biograaf blijft natuurlijk een interessant leven verknallen door het onleesbaar op te schrijven.”

Hans Renders: De zeven hoofdzonden van de biografie. Over biografen, historici en journalisten. Bert Bakker, 63 blz. € 15,–

    • Elsbeth Etty