‘Rekenen en taal zijn niet belangrijkste’

Scholen die louter rekenen, schrijven en lezen geven, doen achterstandskinderen tekort, zegt econoom James Heckman in een lezing. „De kloof ontstaat al vroeg.”

James Heckman

Hoe bestrijd je achterstand? En armoede, werkloosheid? Door reken- en taalonderwijs, is vaak het antwoord van politici.

Econoom James Heckman, hij won de Nobelprijs voor de economie in 2000, vindt dat te makkelijk. Want, zo blijkt uit zijn onderzoek, problemen als tienerzwangerschap, schoolverlaten, alcoholisme en criminaliteit worden juist veroorzaakt door een gebrek aan niet-cognitieve vaardigheden, zoals motivatie, zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen en discipline. Die worden sterk bepaald door de familiesituatie. Daar verander je met rekenen en taal weinig aan, zo vertelt hij vandaag op een conferentie die georganiseerd is door Cito.

Waar je wieg gestaan heeft, is belangrijker dan school.

„De belangrijkste voorspeller van maatschappelijk succes is het gezin. Of je ouders met je gespeeld hebben, met je hebben geknuffeld. Of ze je nieuwsgierigheid hebben gestimuleerd. Of ze je hebben geantwoord op je vragen. Of ouders geld hebben of niet, is ook een belangrijke voorspeller van maatschappelijk succes. En of ze hun kind slaan, of veel of weinig stress hebben. Maar al die factoren zijn het belangrijkste tijdens de allereerste levensjaren, bij kinderen van nul tot drie, vier.”

Op zeer jonge leeftijd wordt de mens al bepaald.

„De kloof tussen welstand en achterstand ontstaat al heel vroeg. Kinderen die op hun tweede, derde jaar een achterstand hebben, komen daar op hun 15de, 16de nog maar heel moeilijk overheen. Als de samenleving ze dán nog wil helpen, bijvoorbeeld met reclassering of scholingsprogramma’s, kost dat veel meer geld, dan dat ze op jongere leeftijd al gestimuleerd zijn. Bot gezegd: Hoe eerder je met kinderen begint, hoe goedkoper het is.”

Veel mensen zeggen; zorg eerst maar dat ze leren rekenen en schrijven.

„Dat is dus een denkfout. Ook uit ons onderzoek blijkt weer dat kinderen veel beter cognitieve vaardigheden aanleren als tegelijkertijd ook hun non-cognitieve vaardigheden worden ontwikkeld. Het huidige onderwijs focust vaak te veel op het meten en aanleren van cognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld met IQ-tests. En doet daarmee de factoren te kort die ook een zeer belangrijke rol spelen.”

Wat is belangrijker: niet-cognitieve of cognitieve factoren?

„Dat weten we niet. We weten wel dat als je kinderen vroeg genoeg beïnvloedt op hun niet-cognitieve vaardigheden, ze een hoger IQ krijgen. Het is niet andersom. Je kan nog zo slim zijn. Als je niet-cognitieve vaardigheden niet zijn ontwikkeld, kom je minder ver.”

Motivatie, doorzettingsvermogen. Dat leer je in het gezin.

Ja. Maar steeds meer gezinnen doen dat niet meer. In Amerika en in West-Europa groeien relatief steeds meer kinderen op in achterstand. De gemeenschap moet ingrijpen en proberen het leven van deze kinderen te verrijken.”

Scholen moeten meer taken van het gezin overnemen.

„Scholen kunnen niet alle problemen van gezinnen oplossen. Maar als ze geen taken van families overnemen, wordt het steeds moeilijker om nog met deze kinderen succes te behalen. Ze moeten wel.”

De huidige staatssecretaris heeft net nieuw beleid gemaakt voor de basisscholen waarin ze meer focus legt op rekenen en taal.

„Als het straks alleen nog maar gaat om rekenen en taal gaat, zitten daar dus risico’s aan.”

Wat kan de overheid doen?

„Wat erg effectief is, is ouders leren betere ouders te zijn. Het heeft bijvoorbeeld al heel veel effect als je tienermoeders vertelt niet te roken tijdens de zwangerschap.”

De effecten van onderwijs zijn na het achtste jaar beperkt, zegt u.

„Nou, onderwijs heeft natuurlijk wel nut: het brengt kennis bij. Alleen, de kloof tussen welstand en achterstand wordt door onderwijs niet veel kleiner meer na het achtste jaar. Als je op jongere leeftijd begint een kind te stimuleren op niet-cognitieve vaardigheden, en je blijft daarmee doorgaan, verkleint de kloof op latere leeftijd wél.”

De kloof wordt ook niet kleiner door het verkleinen van klassen, meer geld voor scholen en meer salaris voor leraren, zegt u.

„Als een school alle basisvoorwaarden heeft voor goed onderwijs, dan is het effect van meer geld en middelen alleen in de eerste jaren aanwezig en daarna slechts klein en kortdurend.”

Maar je motiveert leraren toch met geld? Dat is het belangrijkste beleid waarmee onze minister van Onderwijs momenteel bezig is om het lerarentekort op te lossen.

„Geld heeft wel effect, maar slechts een heel klein beetje. De interne motivatie van een leraar is belangrijker. Die beïnvloed je amper langdurig met meer geld.”

Heckman lardeert zijn verhalen met voorbeelden uit de neuropsychologie, sociologie, psychologie en pedagogiek. Hij praat over onderzoek met Roemeense weeskinderen, Nederlanders in de Hongerwinter, tweelingen, rhesusaapjes en ratten.

U bent econoom. Bent u niet wat ver van uw vakgebied afgedreven?

„Economie gaat vooral over waarom, en op welke gronden, individuen de keuzes maken die ze maken. Maar hoe ze geworden zijn wat ze zijn, die vraag is nog amper aan de orde. Dit onderzoek probeert daar antwoorden op te vinden. Economen maakten altijd al gebruik van inzichten uit de psychologie en sociale wetenschappen. De laatste jaren gaan we daar verder in. Ik vind dat een heel spannende ontwikkeling. Dít is de nieuwe economie.”

    • Japke-d. Bouma