‘Ploertig stuk’ bedreigde de nationale orde

JAN BLOKKER

Waar was de Amsterdamse burgemeester d’Ailly zestig jaar geleden bang voor?

Zes dagen voordat het in 1931 geschreven toneelstuk Jan Pietersz. Coen van Slauerhoff in de Stadsschouwburg door het amateurgezelschap Proscenium onder regie van Carel Briels zijn feestelijke en literaire première zou beleven ter opening van het Boekenbal 1948, sprak de burgemeester (hoofd van de politie tenslotte) een veto uit. Hij vreesde dat het politieke klimaat van die dagen – de eerste politionele actie achter de rug, de tweede voor de boeg, en intussen dagelijks bodybags terug in patria – al verhit genoeg was om ook nog een theatervoorstelling over een controversiële figuur als Coen te kunnen verdragen,

Bovendien hadden vooraanstaande leden van het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid (onder wie de commissaris van de koningin in Noord Holland, De Vos van Steenwijk) voorspeld dat opvoering van het ‘ploertige stuk’ tot een ‘nationaal schandaal’ zou leiden.

Artikel 221 van de Gemeentewet bood uitkomst. Dat artikel omschreef de bevoegdheden van het Gezag voor het geval de openbare orde werd bedreigd. En elke overheid is door de eeuwen heen altijd als de dood geweest voor verstoring van haar openbare orde – om het even of de dreiging kwam van gejurkte schreeuwlelijken uit de Arabische wereld, van voetbalvandalen of van schrijvers die de samenleving soms lastig vallen met een controversieel onderwerp. Dankzij de wet kon d’Ailly met een gerust geweten zijn verbod uitvaardigen.

Wás Coen in 1948 trouwens al een controversiële figuur?

‘Van die stoere Calvinisten’, had Colijn gezegd bij de plechtige viering van de 350ste geboortedag, ‘was Coen er één, toegerust met al de deugden die hem sierden, maar evenmin geheel vrij van wat onze tijd in hen veroordeelt’. Dat was in 1937 geweest, net tien jaar eerder. Er zat dus zelfs volgens Colijn misschien wel een smetje aan de man, maar het opmerkelijke aan het stuk van Slauerhoff was nou juist dat de ware smet op Coens blazoen – de volkerenmoord op de Banda-eilanden in 1621 – er helemaal niet in voorkwam.

Slauerhoff had zich geconcentreerd op een bijna huiselijk te noemen incident, dat bij Coen een disproportionele woede teweeg had bracht, en dat eindigde met de doodstraf voor een 16-jarige vaandrig, en de vernederende publieke geseling van een meisjeskind (volgens de bronnen was ze nog geen twaalf; Coen had haar het liefst meteen in een waterton willen laten smoren), met wie de jongen in het ‘paleis’ van de gouverneur-generaal ontucht had gepleegd.

Coens allerlaatste wandaad zou je kunnen zeggen. De driftaanval voltrok zich in de zomer van 1629, in september van dat jaar was hij gestorven. Slauerhoff laat één van de Raden van Indië bij het nieuws van de dood zeggen(en daar eindigt het stuk ook mee): ‘Laten wij zijn gebreken vergeten die de keerzijde van zijn groote qualiteiten waren’. Dat scheelt niet zoveel met Colijns laudatio uit 1937. En het was een stuk humaner dan het oordeel van de strenge Busken Huet, die in 1878 schreef: ‘Coen was koopman, diplomaat, wetgever, generaal en stedehouder, maar het lot misgunde hem zich ook een mens te tonen’.

Was Coen in z’n stoere calvinistische hart op een zondige manier verliefd geweest op het halfbloedmeisje voor de geseling van wie hij ook nog speciaal van z’n ziekbed zou zijn opgestaan? Dat is de nauw verholen teneur in Slauerhoffs stuk dat tussen allerlei regels door evenveel aantijgt als excuseert, en erotische motieven evenveel ruimte geeft als politieke. Maar d’Ailly greep niet naar artikel 221 om Amsterdam te behoeden voor zedeloos theater. Hij was bang voor zijn openbare orde.

Hoe woedend waren de schrijvers die toen tenslotte door de burgemeester in uitgerekend hun literaire toogdag werden getroffen?

Dat viel ontzettend mee. Samen met regisseur Briels zochten de boekpropagandisten om te beginnen koortsachtig naar een vervangend toneelstuk dat op 25 februari (d.w.z. binnen vijf dagen) nog net klaargerepeteerd kon zijn. Ze vonden Het kind van staat van de volstrekt vergeten 19de eeuwse schrijver H.J. Schimmel. Slauerhoffs Coen was lang geen Shakespeare, maar vergeleken met het drama over stadhouder Willem III was het een onovertrefbaar meesterwerk. Schimmel (en Briels) raakten echter wel een Oranjesnaar, en na afloop heeft de zaal naar verluidt zelfs spontaan het Wilhelmus aangeheven.

Schrijvers zongen niet mee. In overleg met de Vereeniging van Letterkundigen was na afkondiging van d’Ailly’s verbod besloten dat de auteurs niet het bal, maar wel Schimmel zouden boycotten. Ze kwamen dus op tijd naar de schouwburg, maar zodra het doek voor ‘Het kind van staat’ openging, liepen ze demonstratief naar de uitgang, en verzamelden zich voor de duur van de voorstelling in kunstenaarssociëteit De Koepel (de latere Kring) om tegen elven, al dan niet met een aardige slok op, terug te komen voor wat toen ook nog officieel het schrijversbal heette

Leden van het journalistencabaret De Inktvis (conférencier Han Hoekstra had volgens krantenverslagen een Coen-kraag over zijn smoking geplooid) maakten die nacht over d’Ailly’s ingreep nog ‘ondeugende grapjes’ waar de burgemeester - die altijd het imago van een fuifnummer heeft genoten – hartelijk om had kunnen lachen.

Alle burgemeesters in die tijd leken werkelijk nog sprekend op de burgemeester uit Dik Trom. Maar vergeet niet dat toen elke nacht een babyboomer kan zijn verwekt.