Oud worden is echt geen drama

Op hoge leeftijd lijkt je jeugd soms nabijer dan de dag van gisteren. Oude emigranten kunnen zelfs plotseling opkomend heimwee ondergaan. Hoe werkt dat toch?

‘Tussen bed en klok’, zelfportret uit 1940-‘43 van de schilder Edvard Munch (1863-1944) Uit ‘Lumière du monde. Lumière du ciel’, Musée d'Art moderne, Parijs

Douwe Draaisma: De heimweefabriek. Geheugen, tijd & ouderdom. Historische Uitgeverij, 142 blz., € 15,–. Als luisterboek gelezen door Jan Donkers, Rubinstein, € 17,–

Na zo’n 25 bladzijden lezen in Douwe Draaisma’s De heimweefabriek is het al raak. ‘In experimenten blijkt dat ouderen vaker dan jongeren in een toestand komen te verkeren die in de psychologische literatuur als feeling-of-knowing bekend staat, weten dat je iets weet, maar er niet op kunnen komen.’ Ja, dat gevoel ken ik maar al te goed en zachtjes begint mij een ongerustheid te besluipen. Ik zal, 53-going- on-54, toch niet oud beginnen te worden?

Gelukkig voegt Draaisma er meteen een kleine test aan toe. Voor drie gewone woorden moet een minder courant synoniem worden gevonden. Of dat lukt, en hoe snel, is een indicatie voor het afnemend geheugen. Smokkelwaar, raadsel en slapeloosheid zijn de opgaven, en dankzij een gelukkig vallende paginascheiding staan de antwoorden pas op de volgende bladzijde.

Ik vind er drie, redelijk snel, en dat is geruststellend. Alzheimer lijkt dus nog ver weg. Het is ook typerend voor dit boek over de ouderdom, waarmee Douwe Draaisma (Gronings hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie) naadloos aansluit bij het thema van de Boekenweek.

Want er is met de ouderdom helemaal niets dramatisch aan de hand, zo bezweert Draaisma keer op keer. Ouderen zijn gezonder dan ooit, ook al leven ze langer dan ooit. De hoge leeftijd gaat gepaard met de achteruitgang van sommige geestelijke functies, maar dat moet niet worden overdreven. De meeste mensen hebben er alleen maar last van wanneer ze zich er te bezorgd over maken en zich daardoor onzeker gaan voelen.

De beste remedie tegen een falend geheugen is het te blijven gebruiken: niet door allerlei oefeningen, die meestal weinig resultaat hebben, maar door te blijven doen wat men altijd gedaan heeft. En nee: vergeetachtigheid is vrijwel nooit een vroege aankondiging van naderende Alzheimer. Het eerste hoort wel bij het tweede, maar omgekeerd slechts hoogst zelden.

De heimweefabriek bestaat uit acht essays die, zoals wel vaker in de boeken van Draaisma, worden bijeengehouden door een centraal thema. Nationale en vervolgens ook internationale bekendheid kreeg hij met zijn bestseller Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. Het thema van de hoge leeftijd was daarin dus al aanwezig, naast beschouwingen over déjà-vu’s, flashbulb memories en reminiscenties. Twee jaar geleden publiceerde hij de essaybundel Ontregelde geesten: een portrettengalerij van medici, psychologen (en een enkele patiënt) die hun naam hebben gegeven aan een welomschreven psychisch syndroom: Lombroso, Korsakov, Asperger, Gilles de la Tourette. Ook Alzheimer zat erbij.

Die naam is het schrikbeeld geworden van de ouderdom, misschien nog wel meer dan dementie, maar het risico dat een ouder wordend brein daaraan gaat lijden wordt nogal overschat. Misschien omdat de gevolgen ervan zo ingrijpend zijn; en daarnaast ligt het woord ‘Alzheimer’ ook lekker in de mond. De belangstelling daarvoor is het directe gevolg van het feit dat mensen in ons deel van de wereld steeds langer leven. ‘In 1900 waren er in ons land tien eeuwelingen’, stelt Draaisma vast. Tot 1950 waren dat er hoogstens veertig en pas tien jaar geleden werd de grens van de duizend ‘honderdplussers’ gepasseerd. ‘In de wat grotere steden zijn burgemeesters stilletjes opgehouden elke honderdjarige persoonlijk te bezoeken,’ schrijft hij geamuseerd.

Pas daardoor kon het reminiscentie-effect op een toenemende belangstelling van psychologen rekenen. Bekend was het wel. Dickens schrijft in A Tale of Two Cities al over de oude heer Lorry, die zich realiseert dat zijn jeugd hem in zijn herinneringen naderbij staat dan wat pas twintig jaar in de tijd terugligt: ‘Mijn hart wordt nu getroffen door vele herinneringen die lang gesluimerd hebben.’

Datzelfde overkwam ook Oliver Sacks, die enkele jaren geleden door Draaisma in deze krant geïnterviewd werd naar aanleiding van de verschijning van diens autobiografie. Van dat interview staat in De heimweefabriek een uitgebreidere versie afgedrukt. Want ook het feit dat Sacks aan het beschrijven van zijn eigen leven begon, is een gevolg van dergelijke reminiscenties. Tegen de tijd dat hij zestig zou worden, werd hij plotseling overvallen door oude herinneringen, vooral aan zijn kindertijd, die in hem opwelden En ook hij beschrijft die ervaring als het wakker worden van geheugensporen uit een lange sluimer.

Dat komt overeen met wat psychologische onderzoeken hebben uitgewezen, aldus Draaisma. Wie ouderen naar aanleiding van cue-words vraagt welke herinnering er bij hen het eerste opkomt en die afzet op de tijdas van de levensloop van die persoon, ziet in de curve een duidelijke stijging aan het einde. Dat is normaal: recente gebeurtenissen liggen nog vers in ons geheugen. Maar niet normaal is dat de curve aan de ‘jeugdkant’ opnieuw oploopt, zelfs tot aanzienlijk hogere waarden dan die van de recente herinneringen. De top wordt bereikt bij herinneringen aan de tijd waarin men begin twintig was. Nóg weer verder terug in de kindertijd daalt de curve opnieuw steil.

Dat is in strijd met de voor de hand liggende psychologische ‘wet’ volgens welke herinneringen vager worden naarmate ze verder terug liggen. Heel lang was dat effect niet zo duidelijk, doordat mensen eenvoudigweg niet oud genoeg werden om het ‘dal’ in de grafiek op te merken. Recente herinneringen sloten vrijwel direct aan op de reminiscenties uit de puberteit en jonge volwassenheid. Pas op hoge leeftijd begint zo’n lange herinneringsloze periode op te vallen. Bij de ruim 100-jarige Annigje Baron-Rozendaal, die gevraagd werd haar leven te vertellen, hield het verhaal ongeveer in de jaren dertig op, schrijft Draaisma. ‘En verder is er niet zoveel meer gebeurd’, vertelt ze dan. Bedenk, schrijft een verbijsterde Draaisma dan: ‘dit is de samenvatting van zestig jaar’. De eerste man op de maan, de Watersnoodramp van ’53, ja zelfs de Tweede Wereldoorlog zijn in Annigjes herinneringen allemaal vergeetbare bijzaken geworden.

Anders dan in Waarom het leven sneller gaat probeert Draaisma in De heimweefabriek een verklaring te vinden voor dit vreemde reminiscentieverschijnsel. Opvallend is dat heel veel herinneringen te maken hebben met de eerste keer dat iets gebeurde: eerste baan, eerste auto, ontmoeting met de latere echtgenoot. En bovendien vonden die gebeurtenissen plaats in een levensfase waarin het geheugen nog tot veel opnemen geneigd was. Ook de ondervraagden zelf wijzen daar soms op.

Waaróm reminiscenties zich op hogere leeftijd beginnen voor te doen, weet ook Draaisma niet te verklaren. Wel beschrijft hij prachtige hoe sterk ze kunnen zijn. In een Drents tehuis voor licht dementerende bejaarden ziet hij hoe oude foto’s uit de streek de uitgebluste bewoners tot een druk pratend gezelschap maken. Lang vergeten winkelnamen duiken weer op, Sperwer, Vivo, Coöp, en – schrijft Draaisma – ‘ze lopen er in hun herinnering zo naar toe.’ Maar een wondermiddel zijn die oude foto’s niet. Ze doorbreken de beginnende dementie even, maar houden die niet af. ‘Soms,’ schrijft Draaisma, ‘was de herinnering zo levendig dat het leek of het verleden naar het heden kwam. Maar ook dat heden is maar smal, het houdt weinig vast.’ En soms maken zij de mensen ziek. Bij oud geworden emigranten kunnen reminiscenties een heimwee ontketenen waar zij aan onderdoor gaan. Zo zijn de emigratiecentrales van de jaren vijftig de heimweefabrieken van nu geworden.

Zo beschrijft Draaisma in dit kleine boekje met grote subtiliteit en in een aangrijpende stijl de ouderdom en zijn ongemakken – die men vooral niet overdrijven moet. Minstens zo vaak steunend op romans en memoires als op vakliteratuur betoont hij zich de opmerkzame peiler van de mens die hij ook in zijn vorige boeken al was. Tegelijk met deze bundel verscheen er een uitgave op luister-cd, waarop Jan Donkers het boek onverkort voorleest, met de rust en de neutrale toon waar een non-fictieboek om vraagt. Zelfs in de vraag-antwoordvorm van het interview met Sacks pakt dat – met één voorleesstem – goed uit.

De zelftest die ik daarin van mijn eigen geheugen kon afnemen, bleek bij het omslaan van de pagina bij nader inzien toch wat problematisch. Drie woorden had ik wel, maar slechts twee ervan kwamen overeen met wat Draaisma er zelf voor geeft: contrabande, enigma en insomnia. Voor de tweede had ik ‘puzzel’ bedacht. Omwille van mijn gemoedsrust reken ik dat maar goed.

    • Ger Groot