Onzekerheid voor gevorderden

Ouderdom is slechts zeer ten dele maakbaar, maar dat is geen nieuws dat je in een Boekenweek-boek kwijt kunt. Over ‘bionische oudjes’ en de realiteit.

Foto Jupiterimages Group of Senior Women in Swimming Pool Jupiterimages

Silvia Bovenschen: Ouder worden. Vertaald door Jan Bert Kanon. Atlas, 189 blz. € 17,50Renate Dorrestein: Laat me niet alleen. Boekenweekessay. CPNB / Contact, 63 blz. € 2,50Dick Knook: Het Methusalem mysterie Vergrijzing, Zegen of Bedreiging? Prometheus, NRC/Handelsblad, 295 blz. €18,95Sherwin B. Nuland: Hoe wij oud worden. De Bezige Bij, 269 blz. €18,90Dick Sipsma: Van oude mensen, de dingen die gaan komen. Cossee, 94 blz. € 9,90

‘Ouder worden is doorgaans een moeizaam proces, de verliezen stapelen zich op: je ogen worden doffer, je huid brozer, je gezichtsvermogen neemt af, net als de kracht als zodanig, de kracht van je hele lichaam, alles wordt slapper en minder...en het schemerige besef over hoe het tenslotte zal eindigen gaat zich allengs meer manifesteren – en desondanks moet je blij zijn wanneer je het – ouder – geworden bent, want anders zou je al dood zijn. Maar dan zou je op het laatst helemaal niet weten dat je niet ouder geworden bent. Als je het zo bekijkt, maakt het eigenlijk niks uit.’

Dit schrijft de Duitse literatuurwetenschapper en essayist Silvia Bovenschen in Ouder Worden, een boekje met persoonlijke herinneringen en observaties over de voortschrijdende leeftijd van zomaar iemand. Stijl is alles; wat Bovenschen opschrijft is misschien niet eens het belangrijkst, maar hoe zij het opschrijft, lucide en een tikje weemoedig – dat maakt dat Bovenschen het hebben van ms en boven de zestig zijn nagenoeg tot iets benijdenswaardigs maakt. Er gaat een soort elegante alledaagsheid uit van dit boekje: een gelatenheid, zelfs over het onvermogen alles in gelatenheid te aanvaarden.

Mocht u, ter ere van het onvermijdelijke en steevast volstrekt fantasieloze Boekenweekthema, slechts één boekje kiezen uit de stapel die over het thema van dit jaar, ‘De Derde Leeftijd in de Letteren’, is afgescheiden door de braaf meewerkende uitgeverijen, dan is dit boek geen slechte keus. Het overstijgt de berg gelegenheidspapier omdat het bijna achteloos doet wat in veel Boekenweek-boeken tegen de klippen op geprobeerd wordt: het accepteren van iets wat niet is tegen te houden. Renate Dorrestein zegt het trefzeker in haar overigens tamelijk flutterige boekenweek-essay: ‘Vergrijzing als uitdaging. Als ze zo gaan beginnen, kun je er meestal zeker van zijn dat er van de nood een deugd moet worden gemaakt.’

Flutterig? Ja flutterig, omdat Dorrestein de opdracht kennelijk niet wilde weigeren, maar er vervolgens niet veel meer mee heeft gedaan dan het doorvlooien van een krantenarchief en het zoeken naar bewijzen voor haar betoog in televisiereclame – de makkelijkste weg. De twee aardigste beweringen in haar als ‘zelfhulpboek voor babyboomers’ opgezette boekje zijn afkomstig uit krantenartikelen van anderen: duidelijk afgebakende levensfasen zijn aan het verdwijnen (kleine meisjes zien eruit als volwassen vrouwen, oma’s lopen in spijkerbroek). Tegelijkertijd worden nu voor het eerst generaties ouder die nooit hebben geleerd het eigen lichaam te accepteren zoals het is, generaties ook die niet meer kunnen lijden.

Gerontologen

Mensen worden veel ouder, en blijven tot op hoge leeftijd actief. Dit heeft geleid tot het ontstaan van de Derde Leeftijd, die zich uitstrekt van ruwweg het vijfenvijftigste jaar tot aan de echte ouderdom, een fase waarin de montere senior in veel gevallen genoeg geld, een zee van vrije tijd en nog een goede gezondheid ter beschikking staan – middle youth wordt deze nieuwe levensperiode ook wel genoemd.

Dorrestein verzet zich terecht tegen dit wegpoetsen van gebrek en verval naar de uiterste rand van het leven. Juichkreten over vergrijzing bedreigen het recht op narrig oud worden. Het zorgt er maar voor dat wie níét superfit oud wordt, dit voortaan aan zichzelf te wijten heeft.

Wat het meeste stoort aan haar ironische zelfhulpgidsje, is dat ze dat recht om narrig oud te worden laat opeisen door een monter, stellig Dorrestein-personage, een krasbestendig surrogaat dat de wezenlijke inzet van de schrijfster moet vervangen. Maar een essay, toch immers ook altijd een persoonlijke zoektocht, wordt pas leesbaar als er iets op het spel staat, als het een bepaalde mate van aarzeling bevat, in elk geval een glimp van de persoonlijkheid van de schrijver.

Waar Dorrestein betoogt dat men te juichend doet over de te verwachten ouderengolf, daar vinden de gerontologen Dick Sipsma en Dick Knook nu juist dat er over het algemeen te somber wordt gedaan. Knook is er vooral op uit doemscenario’s te ontzenuwen, zijn gortdroog geschreven Het Methusalem-mysterie is een uitputtend overzicht van alles wat er medisch, maatschappelijk en belastingtechnisch gezien met deze demografische revolutie samenhangt. Oude mensen worden nu onterecht buitenspel gezet, betoogt ook Dick Sipsma in Van oude mensen, de dingen die gaan komen. Hij citeert De Beauvoir, die vertelde hoe bij de Scythen de ouden van een rots werden geduwd, hoe in Japan traditionele stammen nutteloze oudjes opvraten, en Inuit ze lieten doodvriezen op een koude zee. Iets dergelijks, laat Sipsma zien, is er met onze eigen ouderen ook aan de hand. We kijken niet werkelijk naar hen, beschouwen ze slechts als last- en kostenpost.

Die houding moet dringend veranderen, willen we het beste kunnen maken van het feit dat binnenkort een op de drie Nederlanders ouder dan zestig is. Het blijkt evenwel heel ingewikkeld allerlei overheidsstelsels hierop in te richten en bijvoorbeeld te komen tot iets als gedeeltelijke pensionering – nog altijd kan wie na zijn 65ste wil blijven doorwerken, zich bijvoorbeeld niet goed verzekeren tegen ongevallen en aansprakelijkheid.

Knook roept om ‘politieke daadkracht’ en ‘visie’, en adviseert ons vroeg na te denken over ons pensioen. Sipsma daarentegen sluit bewust de ogen voor trage politieke molens, en schetst een utopie van een langzamer, stabiele, ‘verzilverde’ samenleving, waarin dankzij biomedische technieken het echte verval tot op het allerlaatst kan worden uitgesteld. Zijn utopie van ‘novogeronten’ is precies dat schrikbeeld van verplicht ‘bionische oudjes’ dat Dorrestein zo’n angst aanjaagt.

Je bent geneigd haar gelijk te geven. Want hoe maakbaar is de ouderdom tenslotte, en is het nu werkelijk zo dat bij een biotechnologische doorbraak en een plots wonderbaarlijk doortastende overheid een zilveren paradijs aanstaande is? Het lijkt er voorlopig eerder op alsof sommigen fysiek, materieel en geestelijk veel beter zullen zijn toegerust om aangenaam oud te worden dan anderen, waardoor het schrikbeeld opdoemt van tweedeling onder bejaarden. Zij die monter meedoen, en zij die zoveel mogelijk uit het zicht en beleid worden weggepoetst.

Tegenslagen

Daarom is ook een boek als Hoe wij Oud Worden van Sherwin. B. Nuland, een Amerikaanse medicus, door de erin verborgen maakbaarheidsideologie op den duur niet goed te verdragen. In dit boek doet Nuland een onderzoek naar de manier waarop oudere mensen omgaan met tegenslagen, ziekte en andere ellende; hij vraagt zich af hoe men zonder somber en depressief te worden leert leven met allerlei beperkingen en verlies. Uit het zalvend geschreven, maar op zich onderhoudende boek blijkt – wat een verrassing – dat een zekere gedrevenheid een belangrijke factor is bij het verwerken van de slagen van het leven. Creativiteit, nieuwsgierigheid, humor, zorg voor anderen – al die dingen die in alle andere levensfases ook al zo handig zijn, blijken dat – o, wonder – tot op het eind te blijven. Maar doordat Nuland slechts mensen beschrijft die het hoofd fier geheven hielden bij zich aandienende slagen van het noodlot, biedt zijn boek meer intimidatie dan steun en herkenning. De centrale paradox van een beetje leuk oud worden – verlies en beperking accepteren, maar ten behoeve van de vitaliteit toch het hoofd zo min mogelijk in de schoot leggen – verdwijnt zo uit beeld, goed oud worden wordt een kwestie van de juiste keuzes en wie daarin faalt, die moet dan ook niet zeuren. Het opnemen van één zich vervelende, opgesloten, ziek-depressieve bejaarde, had dit boek al een stuk verteerbaarder gemaakt.

‘Het is louter een kwestie van het vinden van de juiste beelden en voorbeelden van de nieuwe combinatie van kracht en kwetsbaarheid die voortaan de laatste decennia van ons leven zal kenmerken, ’ schrijft Dorrestein in Laat me niet alleen. Wat ze met deze onnavolgbare newspeak bedoelt? Misschien dat een gelukkige ouderdom een kwestie is van loterij, en niet alleen van strategie, maar dat we niet moeten verwachten dat reclames – of zelfhulpboeken – dit feit zullen onderkennen.

Wat die ‘combinatie van kracht en kwetsbaarheid’ vervolgens kan inhouden, dat laat dat boekje van Bovenschen nu juist zo aardig zien: oud worden als een soort onzekerheid voor gevorderden, maar wel een onzekerheid waar je zeker van kunt zijn. Zoals in deze redenering: ‘Ik wil iets onthouden. Ik weet nu al dat ik het morgen vergeten ben. Mijn trefzekerheid in de toekomst is, zo bezien, beter dan in het verleden.’