Om naar elkaar te zingen

Flirten, het hof maken, partnerkeuze – het moet gebeuren, maar we weten niet hoe we het moeten aanpakken. Dus zijn er liedjes.

Twee vrouwen omarmen elkaar, Jeronimos-klooster, Lissabon foto Photononstop PORTUGAL, LISBONNE, BELEM, JERONIMOS MONASTRY, CLOISTER, MAN AND WOMAN HUGGING. Photononstop

De conversatie van de gastvrouw was doorspekt met de woorden „natuurlijk” en „vanzelfsprekend” – een kenmerk van mensen die bij voorkeur slecht nieuws brengen – uitgesproken op een toon waarin verbittering en berusting om voorrang streden, en met aan het slot van elke zin het soort zucht dat ik iemand wel eens heb horen beschrijven als de „zucht van de harem”.

Omdat ik recht tegenover haar aan tafel zat, was er geen ontkomen aan – aan de verhalen over ex-collega’s van wie ze vanzelfsprekend nooit meer iets had mogen vernemen en situaties waarin dit of dat natuurlijk vragen om moeilijkheden was. Af en toe probeerde ik haar echtgenoot die naast mij zat bij het gesprek te betrekken, maar die had een ondoordringbare stilte als een handdoek over zijn kop gedrapeerd.

Ik stond op het punt mij te excuseren omdat ik even naar huis moest bellen, toen ze toesloeg. Ze pakte mijn hand, kneep er in en vroeg: „Zeg, jij weet toch zoveel van popmuziek?” Het eerste deel van het laatste woord voorzag ze daarbij van twee hooghartig ploppende p’s, alsof het buiten dat geluid geen betekenis had. „Kan jij mij dan eens vertellen waarom negentig procent van de liedjes over de liefde gaat? Ik bedoel: hoeveel liefdesliedjes hebben we eigenlijk nodig?” Ze probeerde het schamper te laten klinken, pesterig bijna, maar aan het bliksemen van haar ogen kon ik zien dat ze het echt wilde weten – ook al was ze ondertussen in gedachten al aan het repeteren hoe ze later zou kunnen rondvertellen dat ik daar natuurlijk ook geen antwoord op had.

Vreselijk, dat soort momenten waarvan je weet dat ze bepalend zijn voor het rapportcijfer dat je voortaan achter je naam hebt staan. Met dooddoeners als „álles is liefde” of muziek als „the food of love” zou ik het bij haar waarschijnlijk niet eens tot een zes min schoppen. En met een eigen wijsheid als „om dezelfde reden dat alle liedjes iets droevigs hebben: omdat ze tijdens het zingen aangetast worden door de vluchtigheid van onze adem” kon ik beter direct naar mijn jas grijpen. Ik moest met iets tastbaars komen, dat was duidelijk, iets maatschappelijks: een verklaring die zowel de muziek als de liefde op hun plaats zou zetten.

En gelukkig had ik die.

Een aantal jaren terug zat ik

met een vriend, een muzikant, op het dorpsplein van een klein plaatsje ergens op de Spaanse hoogvlakte koffie te drinken aan een van de drie tafeltjes op de stoep voor de plaatselijke cantina. Hij was aan het vertellen over een song die hij aan het schrijven was, iets over een liefde die maar half beantwoord werd, toen we getuige waren van het volgende tafereel. Aan de overkant van het plein, vlakbij de kerk, stonden drie mensen op een rijtje: een jongen van een jaar of zeventien in een goedkoop zwart pak en een lichtgevend wit overhemd, geflankeerd door een prachtig meisje van ongeveer dezelfde leeftijd in een witte kanten jurk en, aan de andere kant, als chaperone, een oudere vrouw in vol zwart ornaat en met een mantilla op haar gebeeldhouwde kapsel. Ze hadden op het punt gestaan om over te steken toen de weg geblokkeerd werd door een vaalbruine hond die bezig was om vlak voor hun neus een andere vaalbruine hond te bespringen.

De jongen moest op zijn lip bijten om niet in lachen uit te barsten, en het meisje keek zedig naar de punten van haar zwarte lakschoentjes, maar de chaperone reageerde geagiteerd. Haar ogen draaiden alle kanten op. Van de honden, die tot haar grote verontwaardiging gewoon doorgingen met waar ze mee bezig waren, naar opzij om de reactie van het jonge stel in de gaten te houden en van daar weer het hele plein rond, in de hoop dat niemand zou zien hoe zij naar twee neukende honden stonden te kijken. En opeens schoot mij te binnen dat die twee kids, met hun chaperone en met de rest van de hele sociale structuur die hun omgang reguleerde, waarschijnlijk geen behoefte zouden hebben aan een sterk gevarieerd scala van liefdesliedjes. En die twee honden al helemaal niet.

Maar wij, hier, wel. De rituelen die de paringsdans in goede banen kunnen leiden zijn bij dieren ingeprogammeerd en in traditionele culturen voorgeschreven, maar in onze handelsdemocratie te grabbel gegooid. Flirten, het hof maken, versieren, partnerkeuze – het moet allemaal gebeuren, maar we weten eigenlijk niet hoe we het moeten aanpakken en als vrije burgers laten we ons dat ook door niemand zeggen.

Een patstelling, die tegelijk een onuitputtelijke voedingsbodem is voor een heel arsenaal aan liefdesliedjes, soaps en dating shows. We worden van alle kanten bestookt met beelden en geluiden die een duizelingwekkend scala aan romantische en erotische mogelijkheden suggereren, een hoorn des overvloeds van manieren om aan onze trekken te komen. Geen wonder dat er van de weeromstuit de behoefte is ontstaan om terug te keren naar de basics, het simpele uitgangspunt van het hele gedoe: boer zoekt vrouw, boerin zoekt man.

Want hoe ver we ook drie keer per jaar

weg vliegen, hoe oerend hard we ook over de digitale snelweg scheuren, hoe almachtig we ook in de spiegel van het internet staren – in de liefde zijn we nog steeds, of weer, boeren. Geen soapsterren of pornoatleten of x-factoridolen, maar boeren, tot de laatste man. En als we dan eindelijk in de disco tegenover iemand staan die we wel zien zitten, is het een uitkomst dat er liedjes zijn als I want you to want me van Cheap Trick waarvan we de woorden op de dansvloer tegen elkaar kunnen playbacken – of, als het aan het eind van de avond toch niet blijkt te klikken, Let’s just kiss and say goodbye van The Manhattans.

En dus begon ik nu maar niet over de mens die, zoals Yeats dichtte, maar een armzalig ding is, een gerafelde jas op een stok, „unless soul clap its hands and sing, and louder sing”. Maar ik zei: „Omdat we niet zonder kunnen. Omdat het een hele klus is om iemand te vinden van wie je kunt houden, iemand die ook van jou houdt – maar het is tenminste al een begin als je iemand kunt vinden die van hetzelfde liefdesliedje houdt.”

In plaats van te antwoorden schoof mijn gastvrouw haar stoel achteruit, stond op en gebaarde mij haar te volgen.

Net als de eetkamer maakte ook de rest van het huis de indruk alsof er kortgeleden was ingebroken, alles lag overhoop – tot ze de deur opendeed van een kamer waarin zich de platencollectie van haar man bleek te bevinden. Twee wanden met vinyl, twee wanden met cd’s. Alles afgestoft, gealfabetiseerd en van een bijna verdovende symmetrie, maar ook met bepaalde leemtes – als de badkamer van een blinde, zonder spiegels.