Monetaire tweespalt

De onrust is helemaal terug op de financiële markten. Maar financiële beleidsmakers in Europa en de Verenigde Staten reageren er niet eenduidig op. De Amerikaanse centrale banken hebben de rente dit jaar in twee snelle, grote, stappen al verlaagd van 4,25 naar 3 procent. Verwacht wordt dat er bij de volgende vergadering deze maand nog eens 0,5 procentpunt af gaat. In de eurozone hield de Europese Centrale Bank (ECB) de rente gisteren op 4 procent, en daar staat dit tarief al sinds halverwege vorig jaar.

Het verschil in aanpak weerspiegelt voor een deel het verleden. Het grote monetaire trauma in de VS is de Depressie uit de crisisjaren dertig van de vorige eeuw, toen de prijzen structureel daalden. De wens een herhaling daarvan te voorkomen zit in de genen van de Amerikaanse centrale banken. De ECB is daarentegen gestoeld op de Duitse traditie, en die weerspiegelt haar eigen monetaire trauma: de hyperinflatie van begin jaren twintig en de directe nasleep van de Tweede Wereldoorlog, toen de burgers hun spaargeld opnieuw waardeloos zagen worden. De centrale bank in Frankfurt heeft mede daarom vooral als taak om het uit de hand lopen van inflatie te voorkomen.

Onder invloed van stijgende voedsel- en energieprijzen is de inflatie in de VS inmiddels opgelopen tot 4,2 procent. Maar de zorg voor economische stagnatie als gevolg van de woekerende huizencrisis is dermate groot dat met renteverlagingen prioriteit wordt gegeven aan het temperen van een economische recessie. In de eurozone is de inflatie inmiddels ook hoog opgelopen: tot 3,2 procent. Hier leidt dat juist tot een weigering van de ECB zijn rente te verlagen. In Duitsland is arbeidsonrust ontstaan omdat werknemers met forse looneisen de inflatie gecompenseerd willen zien, hetgeen kan leiden tot een loon-prijsspiraal. De ECB kampt bovendien met sterk uiteenlopende economische ontwikkelingen binnen het eurogebied. Duitsland en Nederland bijvoorbeeld houden zich vrij goed, maar in Italië en Spanje verslechtert de economische situatie snel. De Italiaanse overheid moet inmiddels voor zijn tienjarige staatsleningen 0,6 procentpunt meer rente betalen dan de Duitse. Zo groot is dat verschil sinds de invoering van de euro in 1999 nog nooit geweest.

Het verschil in aanpak tussen de VS en Europa is terug te vinden op de financiële markten. De dollar is, met een steeds lagere rente, al gezakt tot een koers van 1,54 per euro. Beleggers reageren alsof zij de dollar en de Amerikaanse inflatievooruitzichten op dit moment niet meer zo vertrouwen en drijven de koersen van grondstoffen op. De olieprijs bereikte deze week 106 dollar per vat. Daarmee zijn oplopende grondstoffenprijzen niet langer de enige oorzaak van inflatie, zij zijn er ook het indirecte gevolg van. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Het verschil in monetair beleid brengt zo juist extra instabiliteit. Vooralsnog verdient de aanpak van de Europese Centrale Bank de voorkeur. Recessies moeten soms op de koop toe worden genomen. Het voorkomen van een verwoestende, hoge inflatie heeft prioriteit.