Laat de wereld niet los, nóóit

Henk Romijn Meijer Foto Klaas Koppe Koppe, Klaas

Bernlef: Het begin van tranen. Querido, 272 blz. € 12,50

Henk Romijn Meijer: Alle verhalen tot nu toe. Augustus, (2004), 1102 blz. € 59,90

Wanneer gaat een verhaal over ouderdom? Als er ‘oude mensen’ in de titel staat? Als de hoofdpersonen boven de zeventig zijn? Als er veel in wordt vergeten? Het Boekenweekthema van dit jaar heeft geen hausse aan fictie veroorzaakt. Afgezien van een aantal herdrukken (zie de rubriek Verschenen op pagina 2) en één bloemlezing vergeetfragmenten in de Nederlandse letteren (Altijd vandaag. Dementie in de literatuur, verschenen bij Meulenhoff) is de spoeling dun.

De auteur van het Boekenweekgeschenk, Bernlef, bracht wel een ouderdomsbundel uit, bestaand uit veertien eerder gepubliceerde verhalen en twee nieuwe. Een aardig aspect aan Het begin van tranen is dat het oudste verhaal al uit 1960 dateert, toen Bernlef (1937) de ouderdom meer uit verbeelding dan uit ervaring kende. Het mooie, geserreerde eerste verhaal ‘Van een kat en een harmonica’ is vooral een afspiegeling van wat je je als dertiger zoal bij de ‘derde leeftijd’ voorstelt: ongemak en onvermogen, verlies en vergeetachtigheid. In Bernlefs aandacht voor dat laatste kun je de wortels van Hersenschimmen (dat bijna 25 jaar later zal verschijnen) al zien doorschemeren. Hoofdpersoon is de ex-zeeman Göran: ‘Ieder jaar waren meer gebeurtenissen, data en voorwerpen door de grijze deur van zijn aderverkalking verdwenen tot hem nu nog slechts drie dingen helder voor ogen kwamen: zijn harmonica, het ene liedje en zijn kat. Hij waakte over hen met alle zorgzaamheid die zich om de rest van de wereld niet meer bekommerde.’

Het is een prachtig beeld van verkleining, níet van afstomping: Göran blijft tot het laatst met volle kracht aan de wereld gehecht, alleen is die wereld een erg kleine wereld geworden. Zijn laatste woorden zijn dan ook geen woorden van berusting of van introspectie. Ze vormen een ultieme poging om de wereld, het laatste restje van zijn wereld, naar zijn hand te zetten: ‘„Eva,” zei hij, „laat de kat er niet uit. Nooit!”’ Een kwartier na deze laatste woorden is hij dood – en amper een minuut daarna doet zijn vrouw Eva datgene wat een mens nu eenmaal moet doen na een overlijden. Ze schuift het raam open om de geest ‘een gemakkelijke uitvaart’ te bezorgen. En, hup, daar gaat de kat.

In dit vroege ouderdomsverhaal lijkt Bernlef op zoek te zijn naar de overtreffende trap van verlies. Wat er op de oude dag nog is, wordt overheerst door wat er niet meer is – en wat ook niet meer zal komen. Het is een voor de hand liggende visie op ouderdom van iemand in de leeftijd waarop je alles nog hebt.

Inmiddels is Bernlef geen 23 meer, maar 71. En in de twee nieuwe verhalen in Het begin van tranen is het perspectief iets verschoven. In ‘De onverbiddelijke merels’ komt één verpleeghuiszuster voor die zich werkelijk om de verlamde hoofdpersoon bekommert. Die hem voorleest. Die hem zegt dat ze ouderen begrijpt: ‘Oudere mensen hebben hulp, troost en ondersteuning nodig.’ Deze op het oog liefhebbende woorden krijgen echter een onheilspellend vervolg: ‘Ik weet hoe ze denken, ik kan de tekens duiden waarmee ze te kennen geven niet verder meer te willen.’ En zo transformeert Bernlef zijn empathische zuster – een beetje bruusk, dat wel – in een moordenares. De impliciete boodschap van het verhaal lijkt zo dat de blik die van de oudere vooral een afgetakelde jongere maakt, in elk geval ontoereikend is en wellicht ook gevaarlijk kan zijn.

Toch zijn ook in de laatste verhalen van Bernlef de bejaarden verre van vitaal, wat ongetwijfeld te maken heeft met Bernlefs grote belangstelling voor het (dis)functioneren van de menselijke hersenen. Heel anders zijn de ouderen die je tegenkomt in de late verhalen van de vorige week gestorven Henk Romijn Meijer (1929). De bundel Op oude voet (opgenomen in Alle verhalen tot nu toe) bevat een handvol prachtige verhalen over veelal oude mensen in Souillac, het dorp in de Dordogne waar Romijn Meijer een huis had en waar hij ook overleed.

Het opmerkelijke aan de verhalen van Romijn Meijer is dat de oude buren en vrienden die hij in de verhalen opvoert, wel bejaard zijn, maar dat hun leeftijd niet betekent dat ze aan energie hebben verloren of aan mildheid hebben gewonnen. Sterker, binnen de kortste keren barsten alle mogelijke vormen van agressie naar buiten. Bijvoorbeeld bij de oude Madame Lagrange. Zij was in een betere tijd doorlopend overspelig met jonge blonde lifters. Inmiddels is ze een bejaarde die tegen iedere prijs haar hondje verdedigt. Het leidt tot een conflict met de verteller uit het verhaal, de ook al niet meer zo jonge eigenaar van twee honden – en waarschijnlijk een zelfportret van Romijn Meijer. De gevolgen zijn heftig: bijtende beesten, schoppende mannen, vermiste honden, scheldpartijen over en weer – tot nachtelijke telefonades aan toe. Op andere wijze laten ook in andere verhalen van Romijn Meijer oude mensen de remmen los: ze kijken ’s nachts naar ‘zinnenprikkelende films’ en drinken stilletjes een fles rode wijn leeg met de jongeman die hun kachel komt nakijken.

In een ander, troostrijk verhaal kan de oude vrouw Néno zich haar eigen leeftijd niet meer herinneren. Dat overkomt haar op een feestje, maar ze slaat zich uitzinnig drinkend en feestend door de angst heen die haar vergeetachtigheid opwekt. Zo zie je als lezer pas in tweede instantie – en extra scherp afgetekend – hoe ze ná het feest weer ergens alleen zal zijn.

De boekwinkels zullen de komende twee weken vol liggen met de verhalen van Bernlef – en dat is goed. Maar beter nog zou het zijn als de boekverkopers er werk van Romijn Meijer naast zouden leggen. Als eerbetoon aan de springlevende bejaarden die hij beschrijft – en aan het oeuvre waar deze ouderdomsverhalen trouwens maar een klein deel van uitmaken.

Het Boekenweekgeschenk van Bernlef, ‘De pianoman’, wordt op dinsdag 11 maart in de krant besproken.