Kom, we gaan lekker naar de bouwplaats

Twee jonge schrijvers, Saskia de Coster (1976) en Walter van den Berg (1970) leven zich in in het thema van de Boekenweek, ‘Van oude mensen... de derde leeftijd in de letteren’. Over een bejaarde bejaardenchauffeur en de verleidelijke lokroep van de bouwplaats.

Ik zei tegen mijn vrouw dat ik bij een bouwplaats was blijven kijken. Dat ik me dat een keer voor had genomen, ooit, voor als ik later oud zou zijn. Ik vroeg of ik wel eens verteld had over de baan die ik had op de postkamer, en over mijn collega Gerrit, en dat we ons dat samen voor hadden genomen – kijken bij bouwplaatsen, onze armen op onze rug gevouwen.

Ze zei dat ik dat wel eens verteld had, ja.

Ik zei dat het vandaag dus zover was. Vandaag had ik het echt gedaan. Ik liep door de stad en ik zag een bouwplaats en ik was er blijven staan kijken. Ik had het een uur volgehouden. Heimachines en mannen met gele helmen.

‘En?’ vroeg ze. ‘Hoe beviel het?’

‘Ik vond er geen flikker aan.’

Ze zei dat ik de honden mee had kunnen nemen.

Ik zei dat die er ook geen flikker aan zouden hebben gevonden. ‘John zou die heipaal willen hebben en Hasselbaink zou de mannen met de gele helmen vertellen dat ze het helemaal verkeerd doen.’

Ik zat op een stoel in de keuken. Hasselbaink keek me aan vanuit zijn mand, zijn kop over de rand, en hij zuchtte. Ik zei tegen hem dat ik wist dat we allemaal dom waren.

Mijn vrouw liep langs en ik trok haar op schoot. Ze sloeg haar armen om me heen en ik vroeg of ze morgen mee wilde. ‘Mannen met gele helmen kijken.’ Ik zei dat ik ze wel in elkaar zou slaan als ze naar haar zouden fluiten.

Ze zei dat ze het een opwindend idee vond, maar dat we morgen naar New York zouden vliegen. Ze zei dat ik wel net mocht doen of ik een oude man was, maar alleen als we er tijd voor hadden. ‘En je moet dat stuk nog afmaken voor we weggaan.’

‘Ik heb geen zin om dat stuk af te maken. We hebben het geld niet nodig. De wereld zit niet meer op me te wachten.’

Ze zei dat ik dat alleen maar zei omdat ik dan wilde dat zij zou zeggen dat het wel zo was. Ze glimlachte erbij.

‘Is dat zo dan?’

‘Het is zo.’

‘Zeg het dan.’

‘De wereld zit op je te wachten.’

‘Terwijl ik genoeg heb aan jou.’

John kwispelde. Hasselbaink zuchtte.

‘En aan jullie,’ zei ik, ‘en aan jullie.’

Mijn vrouw ging tegenover me zitten en knipoogde naar me.

Ik vroeg of ze me wilde versieren.

Ze zei dat ze al een man had. Maar dat een beetje flirten altijd kon.

Ik leunde achterover. Ik zei dat ik me afvroeg hoe het met Gerrit zou gaan. Of hij nu echt bij een bouwplaats zou staan. ‘Ik vraag me af waar dat dan voor nodig is, die oude mannetjes bij zo’n bouwplaats. Willen ze dan laten vóórkomen dat ze er verstand van hebben, dat ze vroeger ook stoer met gele helmen rond hebben gelopen? Ik heb nooit met een gele helm rondgelopen. Ik heb daar niks te zoeken.’

‘Maar je bent zo stoer,’ zei mijn vrouw, en knipoogde nog een keer.

Ik zei dat ze beter weg kon zijn als mijn echtgenote straks terugkwam, met al dat geflirt. ‘Toen ik vroeger viste op de Noordpier, als jongetje, kwam er een keer een oude man bij ons staan, met twee oude dametjes. Op de Noordpier viste je op zee, met zwaar materiaal en je had zeepieren of zagers als aas. Beestjes – spul uit horrorfilms. Die oude man stond te kijken hoe ik bezig was en hij zei: ja, stukje brood eraan, hengel werpen, mooi stukje werk.’

Mijn vrouw lachte. Ze zei dat ik schattig was omdat ik als oude man een oude man nadeed.

‘Stukje brood eraan! Ik heb net met gevaar voor eigen vingers een zager – en dat is een soort duizendpoot met enorme kaken – aan m’n haak gedaan en hij heeft het over een stukje brood. Alleen maar om die oude wijven te versieren.’

Ze zei dat ik misschien maar naar die pier moest gaan. Ze deed haar eigen oudemannenimitatie, met een basstem: ‘Zager eraan, hengel werpen, mooi stukje werk.’

‘Om te laten voorkomen dat ik er verstand van heb.’ Ik haalde mijn schouders op. Ik zei dat ik ook maar wat deed, toen. ‘Hier heb ik verstand van. Van jou, van dit huis, van de honden.’

‘Van je zoon die een première heeft in New York.’

‘O, die was ik vergeten – oude man, hè.’ Ik knipoogde.

Ze vroeg of ik me in ging houden met de speeches bij het etentje. Dat de kinderen zich dood zouden schamen. Dat ik dat wist.

Ik zei dat ik toch echt moest vertellen hoe hij zijn eerste toneelstukjes deed toen hij zes was, met de twee torens van eetkamerstoelen en het laken ertussen.

‘En hoe de torens instortten,’ zei mijn vrouw.

‘En hoe de torens instortten,’ zei ik.

Ze zei dat ik hem al belachelijk genoeg had gemaakt met die naam.

‘Bam van den Berg is een heel mooie naam.’

‘Iedereen in New York vindt het een pornonaam.’

‘Porno trekt aandacht. Niks mis mee.’

‘Ik ben gek dat ik me om heb laten praten.’

‘Je bent gek dat je ooit met mij bent getrouwd.’

Ze zei dat ik daar gelijk in had.

Ik zei dat ik nu m’n gele helm ging pakken.

Ze zei dat oudemensenseks vies was.

‘Niet als wij het doen,’ zei ik.