Je hoort altijd de wolf die in jezelf huilt

Steven Herrick: De roep van de wolf. Lemniscaat. Vertaald door Tjalling Bos; 14+, 219 blz. €14,50

Wolven komen niet voor in Australië. Toch beweert de vader van de 15-jarige Jake ooit een wolf te hebben ontmoet bij de rivier. „Ik heb hem nooit meer gezien/ Maar ik geloof dat hij daar ergens leeft,/misschien met een vrouwtje, en jongen”, zegt hij. Het geloof van de vader wordt het geloof van de zoon. Bijna tenminste, want juist de lichte twijfels van Jake over het verhaal van zijn bewonderde vader tonen dat hij volwassen wordt.

Het geloof in een fabeldier blijkt zo een zeer vruchtbaar thema in De roep van de wolf van de Australische dichter Steven Herrick. In Nederland maakte Herrick vorig jaar diepe indruk met zijn prozagedicht Aan de rivier, een soort toverlantaarn vol kleuren, geuren en beelden van een afgelegen dorp. De roep van de wolf is ook een hedendaags epos in blanke verzen, maar het verhaal is dynamischer, de vorm strakker en de toon directer.

Hoofdpersonen zijn de eerder genoemde Jake en de 16-jarige Lucy. Jake leeft in een liefdevol boerengezin met een ruwe-bolster-blanke-pit vader en een zachtaardige moeder. Lucy daarentegen wordt mishandeld door haar vader, terwijl moeder werkeloos toekijkt.

Jake en Lucy worden samengebracht door nachtelijk dierengehuil, dat ook zit in de oorspronkelijke titel Lonesome Howl. „Het klinkt zo droevig dat ik het voel op mijn huid”, zegt Jake, die denkt aan de wolf van zijn vader. Lucy, in haar eigen bed, hoort het ook. Zij denkt echter aan de hofhond die ooit haar vader beet en toen wegliep: „Hij is nergens bang voor,/ want hij is hier heer en meester.”

Zo vervult de wolf – of wilde hond – de verlangens en gevoelens van de personages. Voor Jakes vader is hij de herinnering aan vroeger, voor Jake bevestigt hij het verbond met zijn vader, voor Lucy is hij de dappere vrijheidszoeker, voor Lucy’s vader is hij de ultieme vernedering. Lucy en Jake gaan hem zoeken. Ze vinden vooral elkaar en Lucy vindt de kracht haar vader te weerstreven.

Herrick zet dit avontuurlijke liefdesverhaal neer in meesterlijke beelden. De wreedheid van Lucy’s vader wordt gevangen in het moment dat hij plotseling de ‘lachvogel’ kookaburra uit de boom schiet: „Ik heb het dal nog nooit zo stil gehoord./ Het moment nadat hij de vogel had gedood.”

En net als in Aan de rivier excelleert Herrick in zijn personages. Zoals de sterke oma van Lucy die haar schoonzoon wel weerstreeft. Ze sterft maar blijft in Lucy voortleven. Zoals dit boek doet in de lezer.

    • Karel Berkhout