Ingrid Betancourt

De door de Colombiaanse rebellenbeweging FARC gegijzelde presidentskandidate Ingrid Betancourt zit nu ruim zes jaar vast en is ernstig ziek. Nadat er, met een brief van Betancourt in oktober en de vrijlating, na bemiddeling door de Venezolaanse president Hugo Chávez, van twee andere gijzelaars in januari, enige hoop voor haar vrijlating leek te ontstaan, lijkt een goede afloop voor de Colombiaanse gijzelaars nu, met het bombardement op een FARC- kamp door de Colombiaanse regering en de dood van FARC-kopstuk Raul Reyes, weer ver weg.

Wie wil weten wat de ruim drieduizend Colombiaanse gijzelaars doormaken, leze de hartverscheurende brief van Betancourt, in Nederland uitgegeven door De Geus. Het boekje, Brieven aan mijn moeder, bevat ook nog een brief van haar kinderen en een inleiding van Elie Wiesel. ‘Een gevangene in de gevangenis weet wanneer hij vrijkomt (...). Een gegijzelde heeft deze zekerheid niet, evenmin als zijn familie en vrienden. De onzekerheid is zo immens dat het beter lijkt dat de ontvoering hoe dan ook een einde krijgt, al is het met fatale gevolgen. In de brief van Ingrid lees ik dezelfde wanhoop terug,’ schrijft Arjan Ertkel in het voorwoord .

‘Opeens willen ze bewijzen dat we nog in leven zijn en ik schrijf je, leg mijn ziel op dit papier.’ Aan haar moeder, kinderen, man en zus beschrijft Betancourt haar situatie; niets dan een hangmat als beschutting, als enige levensader haar radio, waarop boodschappen van haar moeder en kinderen doorsijpelen. Ze is het lijden moe. De moord op elf gijzelaars door de FARC, in juni 2007, schrijft ze, kan haar ook overkomen. ‘Ik denk dat het voor iedereen een opluchting zou zijn.’ Op hun beurt smeken haar kinderen hun moeder om het niet op te geven. ‘Dit is geen afscheidsbrief. het is een weerzienbrief. Tot gauw, mama.’ (MS)