‘Ik wil zuivere kunst maken’

De 31-jarige Belg Jan De Cock is een bovenmatig succesvol kunstenaar, met zijn exposities in het MoMA en Tate Modern. „Ik blijf gewoon stug voort timmeren aan mijn grammatica. Ook al roept iedereen dat pvc op dit moment heel erg in is.”

‘Waarom het MoMA bij mij terecht is gekomen? Die vraag kan ik heel gemakkelijk beantwoorden.” De Belgische kunstenaar Jan De Cock leunt achterover in zijn bureaustoel en neemt een slok koffie uit een rode mok met het opdruk ‘Donald Judd’. „Ik kan maar één plausibele reden bedenken: dat het werk dat ik maak niet zo slecht is. Een netwerker ben ik niet, voor feestjes heb ik geen tijd. En ik kan me niet voorstellen dat die Amerikanen dachten: België is een klein land, laten we die mensen ook eens een kans geven. Dus moet het met mijn werk te maken hebben. Ik wil niet arrogant zijn, maar ik denk dat ik met goeie dingen bezig ben.”

Pas 31 jaar oud is de Brusselaar Jan De Cock, en nu al heeft zijn werk centraal gestaan in de twee belangrijkste musea ter wereld. In 2005 had hij een tentoonstelling in het Londense Tate Modern, waar hij door het hele gebouw zijn kenmerkende houten modules van groene spaanplaat achterliet. Nu exposeert hij in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York en gaat hij de geschiedenis in als de eerste Belg die in dit mekka van de moderne kunst een solo mocht inrichten.

Daarmee lijkt De Cock het hoogst haalbare voor een kunstenaar in recordtijd bereikt te hebben – het is pas tien jaar geleden dat hij debuteerde bij de Amsterdamse Galerie Fons Welters. „Ik zie niet in waarom ik dit soort tentoonstellingen twintig jaar zou moeten uitstellen”, antwoordt hij op de vraag of hij dat snelle succes niet beangstigend vindt. „Het is juist handig dat je dit kunt doen op je 31ste. Dan heb je dat tenminste gehad, en kun je je weer op andere dingen richten.”

Bovendien: het leven gaat

gewoon door. Deze week opent nog een solotentoonstelling van Jan De Cock, bij Galerie Fons Welters, en die expositie vindt hij minstens zo belangrijk als die in het MoMA. „Ik zie het als een tweeluik”, zegt De Cock. „Het is niet de bedoeling dat mensen denken: Jan heeft een solo in het MoMA, en daarnaast heeft hij nog wat extra dingetjes gemaakt om in zijn galerie te verkopen. De tentoonstelling bij Fons Welters bestaat niet uit overblijfsels. Er zijn ruim vierhonderd werken gemaakt, allemaal unica. Daarvan zijn er 203 opgehangen in het MoMA, de andere 203 zijn bij Fons te zien.”

In het atelier van Jan De Cock, gevestigd in een voormalige papierfabriek in de Brusselse wijk Anderlecht, maakt een team van assistenten de kunstwerken gereed voor transport. De kisten waarin ze vervoerd worden zijn gemaakt van geperst hout van het merk Unilin, hetzelfde materiaal waarmee De Cock ook zijn installaties bouwt. In de fabriekshal liggen de groene spaanplaten metershoog opgestapeld. Twee jonge mannen met oorbeschermers zijn druk bezig de planken te verzagen. In totaal werken ongeveer vijftien medewerkers in het Atelier Jan De Cock, dat drie verdiepingen telt en is onderverdeeld in onder meer een houtzagerij, een lijstenmakerij, een fotostudio en een departement fotografie, conservatie en architectuur.

Over hoe het er in het atelier aan toe gaat, wil De Cock liever niet praten. „Dat is privé. Het atelier is mijn familie, mijn thuisbasis. Hier woon en werk ik. Het enige wat ik erover wil zeggen is dit: als je in de huidige kunstwereld puur en alleen met kunst bezig wilt zijn, moet je een soort structuur op poten zetten. Ik noem dat een beschutte werkplaats, met mensen die je beschermen tegen de debiliteiten waar een kunstenaar zijn tijd aan kan verliezen. Die safe haven stelt mij in staat om compromisloos kunst te maken.”

Tot nu toe stond Jan De Cock

vooral bekend als de kunstenaar die met zijn omvangrijke houten bouwsels musea en andere publieke ruimtes een heel ander aanzien wist te geven. Zo verbouwde hij het museumcafé van BOZAR in Brussel, ontwierp hij een leeszaal voor de Gentse Universiteitsbibliotheek en maakte hij het interieur voor een winkel van Comme des Garçons in Tokio. Met de groene spaanplaten bouwde De Cock wanden, vloeren, kubussen, tafels en kasten die soms functioneel waren, maar meestal niet. De stijl van deze architectonische installaties was altijd uit duizenden herkenbaar: rechte hoeken, geometrische vormen en een perfecte afwerking. De sobere taal, kortom, van het modernisme.

Op zijn tentoonstelling in het MoMA lijkt De Cock nu een andere weg ingeslagen. Zijn installatie bestaat daar grotendeels uit fotowerken, afgewisseld door enkele sculpturen. De foto’s, ingelijst in zwarte ramen en voorzien van spiegelend glas, zijn in een dwingend patroon aan de muur gehangen – ze vullen hoeken, zijn tegen het plafond gedrukt of gaan deels schuil achter de houten objecten. De tentoonstelling oogt strak en minimalistisch. Alles is tot op de millimeter uitgedacht.

Voorafgaand aan de tentoonstelling reisde De Cock vier maanden door de Verenigde Staten en fotografeerde daar specifieke locaties, zoals het atelier van Jackson Pollock op Long Island, Frank Lloyd Wrights beroemde Fallingwater-huis in Pennsylvania en het George Eastman House in Rochester. Ook bracht hij veel tijd door in het MoMA zelf, waar hij achter de schermen foto’s maakte van favoriete kunstwerken (Hopper, Brancusi, Koons, Newmann). Al die beelden, in het MoMA als één grote collage gepresenteerd, noemt De Cock zijn „visuele grammatica”. Daarmee werkt de kunstenaar aan een persoonlijke encyclopedie die hij American Odyssey noemt en die ook in boekvorm zal verschijnen.

„Ik heb geprobeerd Amerika te ontleden”, legt De Cock uit. „Daartoe heb ik foto’s gemaakt van een aantal landmarks. Plekken in het Amerikaanse landschap waarvan ik vind dat ze vandaag de dag nog belangrijk zijn. Het resultaat is een vrij abstract geheel. Je kunt het vergelijken met de manier waarop Mondriaan zijn Broadway Boogie Woogie maakte. Die vertaalde de straten van New York ook in een abstract lijnenspel van rood en geel en blauw.”

Uit de foto’s die De Cock in Amerika maakte spreekt een grote voorliefde voor het modernisme, de periode waarin kunstenaars nog het geloof hadden dat ze de wereld mooier konden maken. De Cock gelooft in die utopische gedachte. Onze maatschappij is gebaat bij krachtige beelden, vindt hij. En het verleden kan daarbij als leidraad dienen. „Voor een kunstenaar is het noodzakelijk om terug te grijpen op het verleden. Met het verloochenen van het verleden kom je niet vooruit. Als je al het goede wat geweest is negeert, is dat net zo idioot als het ontkennen van de Holocaust.”

The New York Times noemde de tentoonstelling van Jan De Cock „conservatief”. Volgens de recensent had het werk net zo goed dertig of zeventig jaar geleden gemaakt kunnen zijn. In de Vlaamse kranten werd dat uitgelegd als kritiek, maar De Cock ervaarde die opmerking juist als een groot compliment. „Want dat betekent dat mijn werk tijdloos is. Ik ben geen kunstenaar die een nieuwe fluorkleur uitvindt en daarmee nieuwe beelden gaat maken. Mijn werk is gestoeld op de grammatica van vroeger: iets moet goed gemaakt zijn en mag mooi zijn. Maar schoonheid is tegenwoordig iets verdachts geworden. Kunst moet trashy zijn, het moet aan elkaar hangen van rotzooi. Daar doe ik niet aan mee. Ik ga uit van universele waarden die al eeuwen onveranderd zijn: vorm, compositie, kleur. Wat dat betreft ben ik een ouderwetse kunstenaar.”

Compromisloos wil Jan De Cock zijn,

zo benadrukt hij keer op keer. Consequent, zich niet laten afleiden door bijzaken. Hij wil zuivere kunst maken – kunst die niets te maken heeft met de waan van de dag. Kunst die als een paal boven water staat. En daar zet hij alles voor opzij. Aan de twee tentoonstellingen bij het MoMA en Fons Welters heeft De Cock met heel het atelier twee jaar gewerkt, vertelt hij. „In die tijd hebben we dus niet meegedaan aan biënnales of groepstentoonstellingen. Twee jaar lang hebben we ons alleen maar met die vierhonderd kunstwerken beziggehouden. Dat wil ik toch even benadrukken. Wij werken dus zeer geconcentreerd. Dat is bijna niet meer van deze tijd.”

Wanneer je hem vraagt hoe zijn werk in tien jaar tijd veranderd is, antwoordt hij stellig: „Ik ben niet veranderd, en mijn werk ook niet. De wereld is veranderd. Dat is de conclusie. Het is belangrijk dat je gelooft in je eigen kunnen, in je eigen onderzoek, ongeacht wat voor ontwikkelingen er gaande zijn in de kunstwereld. Ik blijf gewoon stug voort timmeren aan mijn grammatica. Ook al roept iedereen dat pvc op dit moment heel erg in is.”

Is hij niet bang dat de mogelijkheden met de groene vezelplaten ooit uitgeput raken? „Nee, dat is alsof je een schilder zou vragen of hij uitgekeken raakt op olieverf. Waarom zou ik niet mijn hele leven met hout kunnen werken? Echt goede kunst is nooit een hype. Goede kunst werkt zich heel traag in de maatschappij in. En ik zie dat de trage inwerking van mijn kunst tot nu toe niet aan dovemansoren is gericht. Ik moet concluderen dat ik met mijn koppigheid en halsstarrigheid toch heel ver ben gekomen. Ik ben gevraagd door het MoMA. Dan moet er toch een kwaliteit in mijn werk zitten die universeel en tijdloos is.”

Ook als het gaat om de commerciële waarde van zijn werk wil De Cock geen concessies doen. Hij verzet zich tegen de kunstmarkt die de prijzen voor jonge kunstenaars steeds verder opdrijft. „Mijn galeriehouder en ik zijn de mening toegedaan dat mijn werk nog steeds niet duur is. We willen dat bewust ook zo houden. We gaan het werk niet duurder maken omdat het nu in het belangrijkste museum van de wereld hangt. Kunst moet betaalbaar blijven.”

Veel van de installaties die hij in het verleden heeft gemaakt zijn inmiddels vernietigd. De Cock: „Ik heb nooit tijd willen steken in het maken van commerciële kunst of het vervaardigen van edities. Ik maak altijd nieuw werk. Daar heb ik overigens dikwijls wakker van gelegen. Want om deze manier van werken in stand te houden, moet je bereid zijn om heel voluntaristisch te willen werken en leven. Wat dat betreft mag je mij wel in de top-10 van meest vrijgevige kunstenaars zetten.”

Dat er nog geen enkel Belgisch museum is dat zijn werk heeft aangekocht, steekt hem. „In eigen land zien ze het niet”, zegt De Cock. „Of misschien vinden ze mijn werk al te duur.” Wel wil hij alvast verklappen dat het MoMA een van zijn grote installaties heeft aangekocht. „Ze hadden al twee werken van René Magritte en twee werken van Marcel Broodthaers. Nu is het museum van plan een Belgische zaal te maken, met Magritte, Broodthaers en De Cock. Op zo’n moment weet ik dat waar ik de laatste tien jaar mee bezig ben geweest juist was.”

Jan De Cock: ‘Galerie Fons Welters, Amsterdam, The Netherlands, 2008’. T/m 19 april in Galerie Fons Welters, Bloemstraat 140, Amsterdam. Inl: www.fonswelters.nlJan De Cock: ‘Denkmal 11, Museum of Modern Art, 11 West 53 Street, New York, 2008’. T/m 14 april in het MOMA, New York. Inl: www.moma.org

    • Sandra Smallenburg