Ik ben een vogel die tegen de ruit is gevlogen

Kester Freriks: Dahlia’s en sneeuw. Conserve, 141 blz. € 17,50

Kester Freriks: Dahlia’s en sneeuw. Conserve, 141 blz. € 17,50

In de belevingswereld van een Alzheimerpatiënt kruipen is even poëtisch als confronterend. Gedachten, beelden en herinneringen hebben hun oude logische en sociale verband verloren maar komen associatief tot stand, iets wat bij dierbaren van een dementerende uiterst pijnlijk kan uitwerken, maar tegelijkertijd van kernachtige schoonheid kan zijn. De vervaging van bewustzijn roept existentiële vragen op, over identiteit en vergankelijkheid. Naar aanleiding van Hersenschimmen, zijn klassiek geworden roman over dementie, zei J. Bernlef ooit in een interview: ‘dat is tenslotte alles wat er van je leven overblijft.’

Voor Kester Freriks moet zijn poging om zich in het hoofd van een dementerende vrouw van vierenzeventig te verplaatsen ook een persoonlijke lading hebben gehad. Tenminste, dat mag je afleiden uit de epiloog van zijn roman Dahlia’s en sneeuw, opgedragen aan zijn moeder. In deze laatste bladzijden neemt de schrijver zelf het woord over om – in dezelfde bloemrijke taal als van zijn hoofdpersoon, dat wel – met iets meer afstand de isolatie en aftakeling van dementerende ouderen te belichten. De laatste zin van dit exposé klinkt als het voornemen dat tot deze roman heeft geleid: ‘Zij is verdwenen uit deze vertrouwde wereld, en toch vind ik haar terug.’

Dahlia’s en sneeuw heeft inderdaad het karakter van een zoektocht, maar niet naar de vervaging van het bewustzijn, zoals bij Bernlef. In Freriks’ roman ligt het accent op het achterliggende leven van de ik-persoon, en de veranderende herinnering daaraan.

De ontwrichtende werking van dementie steekt af en toe de kop op, maar in de eerste plaats als een botsing tussen heden en verleden, een verwarring die de isolatie die ouderdom met zich meebrengt laat zien.

De manier waarop hoofdpersoon Julia Wensiez-Lankhorst over haar man praat, of over haar kinderen en kleinkinderen, wier namen ze niet meer kan onthouden, legt de afstand bloot tussen haar gedachten en de buitenwereld. ‘Ik ben net een vogel die tegen de ruit is gevlogen’, zegt ze tegen haar man, zonder nog te verwachten dat die haar begrijpen zal.

Jammer is dat Freriks zich af en toe verliest in al te expliciete en plechtstatige bewoordingen: ‘Ik ben de weduwe van mijn eigen leven. Drenkeling in een zee zonder water. Ik ben gehuwd met vergetelheid. Ik kan niet meer denken en denk aldoor; ik kan geen zinnen of verhaal meer vertellen, de taal is mij ontnomen, en toch praat ik onophoudelijk.’

Daar tegenover staan passages waarin Freriks de verstrengeling van melancholie, machteloosheid en liefdevolle herinneringen op poëtische wijze weet te raken.

    • Ewoud Kieft