‘Het ligt niet aan de maatschappij, het ligt aan jou’

Veel jonge Amsterdammers vallen na een opvoedingsprogramma terug in crimineel gedrag. Hulpverlener Spirit steekt de hand in eigen boezem.

Kun je het gedrag van een jonge veelpleger in Amsterdam-West veranderen als zijn ouders alles vergoelijken wat hij buitenshuis uitspookt? Kan een hulpverlener in zes maanden een jongen zo beïnvloeden dat hij zijn oude vrienden, het snelle geld, de sensatie van het straatleven, vaarwel zegt? Kun je zo’n jongen, die wéét dat justitie zijn straf waarschijnlijk toch niet oplegt, verleiden tot een gedisciplineerd leventje op het rechte pad?

Je moet het in elk geval probéren, vindt orthopedagoog Janet Schut van Spirit (jeugdhulpverlening) in Amsterdam.

Eigenlijk is het een wonder dat slechts de helft van de probleemjongeren die in Amsterdam een opvoedingsprogramma volgen, daarna opnieuw steelt en geweld pleegt. Toch was burgemeester Job Cohen „teleurgesteld” toen vorige week recidivecijfers uitlekten van jongeren die zo’n programma hebben gevolgd. Want stadsbestuur en kabinet beschouwen opvoedingsprogramma’s als hét antwoord op de ontsporing van duizenden jongeren in probleemwijken. Eergisteren kwamen premier Balkenende, ministers Bos (Financiën), Rouvoet (Jeugd en Gezin) en Ter Horst (Binnenlandse Zaken) naar Amsterdam om er met wethouders over te vergaderen.

Bovendien zijn die programma’s niet gratis. Alleen al in de onderzochte programma’s van Nieuwe Perspectieven (Spirit) verzorgen hulpverleners met een hbo-opleiding jaarlijks 1.150 ‘trajecten’. Elk ‘traject’ duurt zes maanden en kost 5.040 euro, bijna 6 miljoen euro per jaar. Weinig media besteedden aandacht aan de recidivecijfers. Daardoor konden ze bij Spirit het onderzoek in alle rust verstouwen. Ze zijn bereid de hand in eigen boezem te steken; zij verzorgen vier van de zes onderzochte opvoedingstrajecten.

Naar Nieuwe Perspectieven worden jongens van 12 tot 23 jaar verwezen die al zijn veroordeeld voor diefstal, geweld of overvallen. Jeugdzorg doet dat of de reclassering. Drie maanden lang krijgen ze begeleiding van een hulpverlener die hun leefwereld in kaart brengt. Met de jongen zelf en zijn vips (very important people als ouders, broers en kennissen) maakt de hulpverlener afspraken over vrijetijdsbesteding, opleiding en toekomst. Daarna bekijkt hij drie maanden lang op een afstand of de jongen in dat netwerk in staat is de afspraken na te komen: op tijd naar school, niet rondhangen op straat, sporten, conflicten uitpraten in plaats van slaan.

Het is een wereld van verhullend jargon: pro-sociaal netwerk, terugval, meerplegers, ouderproblematiek. Misschien daarom vinden de hulpverleners het fijn dat ze nu worden beoordeeld op harde resultaten. Beleidscoördinator Marjan Koopman van Spirit: „Ook dit onderzoek stimuleert ons om een aantal dingen te verbeteren. Wij moeten nóg bewuster bezig zijn met fout gedrag van de jongens die we begeleiden. Waarom pleegt hij delicten en hoe kun je dat veranderen? We moeten niet alleen blij zijn als hij door onze bemoeienis weer naar school gaat. We moeten ook alert reageren als we zien dat een jongen die we begeleiden toch weer afglijdt. Als we zien dat hij kleren draagt die hij helemaal niet kan betalen. Dat moeten we niet ontkennen maar meteen melden bij de reclassering.”

Dat gebeurt niet altijd, geven ze toe. „Sommige hulpverleners werken al 15 jaar met zulke jongens. Daardoor relativeren ze soms de ernst van de delicten. We moeten elkaar er steeds weer op wijzen dat de delicten centraal staan. Een beroving ís ernstig. Daar hoort een slachtoffer bij”, zegt Schut.

Ook aan het begrip dat Spirit-hulpverleners opbrengen voor daders – ‘het is ook niet niks wat die jongen heeft meegemaakt’ – wordt gewerkt. Schut: „Ze moeten de denkwereld van die jongens begrijpen, want anders bereiken ze niks. Maar ze worden ook getraind om niet te veel begrip op te brengen voor slachtofferdenken: het ligt niet aan de maatschappij dat jij steelt. Het ligt aan jou.”

Justitie, op haar beurt, moet consequent straffen, wat te weinig gebeurt. Schut: „Het duurt soms een jaar voordat een jongen zijn straf krijgt opgelegd. Een jaar is lang voor zo’n jongen; straf heeft dan geen effect meer. Net als bij peuters moet je onmiddellijk straffen, áls je straft. Soms legt de rechter een voorwaardelijke straf níét op terwijl de jongen zijn proefperiode schendt. Het is voor ons frustrerend als we tegen een jongen zeggen dat hij zich aan afspraken moet houden omdat hij anders alsnog wordt gestraft en vervolgens wordt hij niet gestraft. Bovendien zien de vrienden en broers zo dat slecht gedrag niet wordt bestraft.”

Schut beschrijft het calculerende gedrag van haar cliënten. „Hij denkt: wat gebeurt er als ik die taakstraf niet uitvoer? Niks. Dus hij komt niet. Daar gaan we sowieso vanuit: een jongen moet last hebben van zijn criminele leven. Anders blijft hij alleen de voordelen zien. Dat je moeder zeurt over je spijbelen en op straat hangen, kan heel vervelend zijn. Maar dan moet moeder wel zeuren.”

Hoe meer delicten een jongen heeft gepleegd voordat hij aan Nieuwe Perspectieven begint, des te groter is de kans dat hij recidiveert, blijkt uit het onderzoek. „Bij hen zitten de denkfouten het diepst”, zegt Koopman. Die fiets was niet op slot, dus dan mag ik hem meenemen. De Albert Heijn is een groot concern dus is het niet erg als ik daar iets steel.

Denkfouten? Dat is toch gebrek aan moraal? Koopman: „Spreken van ‘een moraal’ impliceert dat er niets meer aan te doen is. Denkfouten zijn delen van een moraal en delen kun je wel veranderen.”

    • Frederiek Weeda