Gelaten bekentenissen

In de novellen ‘Alexis’ en ‘Het genadeschot’ delven vrouwen het onderspit en houden ‘oprechte’ mannen uiteindelijk hun masker op.

‘Als ik op een zinkend schip zou zitten en er zou geen vrouw aan boord zijn, dan zou ik een jongeman nemen, een scheepsjongen’. Het is een uitspraak van Michel de Crayencour gericht tot zijn 20-jarige dochter Marguerite die hem zojuist heeft verteld dat ze verliefd is op een man die van mannen houdt. Als het gaat om seksuele voorkeuren is niets vreemd of onacceptabel, zou de man die zelf als rokkenjager bekend stond daaraan hebben toegevoegd. De passage komt, soms verhuld, soms bijna letterlijk, voor in latere romans van Marguerite Yourcenar.

Ook in de twee novellen Alexis of de verhandeling over de vergeefse strijd en Het genadeschot, die de in 1903 in Brussel geboren schrijfster op respectievelijk 27-jarige en 35-jarige leeftijd publiceerde, komt het thema terug. Als het woord niet zo’n bijklank van tastende speelsheid had, zou je de novellen vingeroefeningen kunnen noemen, oefeningen in vaardigheid voor het latere, echte werk, Mémoires d’Hadrien en L’oeuvre au noir. Maar speelsheid is zelden of nooit een kenmerk van Yourcenars schrijven geweest.

Twee bekentenissen bevat het boek dat de leesclub deze keer bespreekt, twee persoonlijke zoektochten naar waarheid en waarachtigheid. De eerste is ingetogen, omzichtig en in briefvorm opgeschreven; de tweede is losser, directer en ook wreder verwoord, geschetst met een bredere, duidelijk aanwezige historische context. Beide verhalen verkennen ‘het vraagstuk van de zinnelijke vrijheid’, zoals Yourcenar het voorzichtig verwoordt in het voorwoord dat ze 35 jaar later schreef voor de herdruk van Alexis. De wereld, en zeker die van de zinnen, is en blijft een gevangenis, maar die moet dan tenminste verkend worden.

Tegenwoordig zouden we zeggen dat Alexis het verhaal van een ‘coming out’ is of in ieder geval een verkenning van ambigue (bi)seksualiteit, een kwestie die Yourcenar zelf in die periode van haar leven intens moet hebben beziggehouden. ‘Bepaalde onderwerpen zitten in de lucht’, zo besluit zij haar voorwoord, ‘soms zitten zij ook in een leven verweven’.

In een lange brief tracht de 24-jarige Alexis Gera zijn vrouw Monique uit te leggen waarom hij haar, en daarmee ook hun zoon, verlaat. Hij schrijft over zijn jeugd, zijn afstamming uit een oud, aristocratisch maar verarmd geslacht, zijn puriteinse opvoeding omringd door vrouwen, zijn scherpe gevoel voor schoonheid. We lezen over zijn liefde voor muziek, zijn periode op het gehate internaat, zijn mislukte carrière van musicus. Cirkelend rond de kern van zijn bekentenis (‘datgene waarover ik het nu heb, wordt beschouwd als een ziekte’), zoekt hij naar passende woorden voor zijn anders-zijn, weidt hij uit over zijn innerlijke worsteling met begeerte en angst, zijn afschuw van het lichaam enerzijds en zijn intense verlangen naar genot anderzijds.

Het zelfportret dat Alexis schildert neemt de lezer niet voor hem in. Hoe meer hij onderstreept hoezeer hij leed onder zijn zelf opgelegde kuisheid, hoe minder mededogen de lezer voelt. Hoe meer zelfmedelijden, hoe mooi verwoord ook, er tussen de regels door schemert, hoe meer afstand hij schept. ‘Ik heb nooit liefgehad’, schrijft hij zijn vrouw, ‘ik zou alleen van een volmaakt mens kunnen houden’.

Het punt is dus niet dat Alexis van mannen houdt, zoals Monique zou kunnen denken bij zinnen als ‘het leven heeft van mij een gevangene gemaakt van instincten die ik niet heb gekozen’, nee, hij is niet in staat liefde te voelen, zich werkelijk te binden aan een gewone sterveling, en geeft de voorkeur aan seksualiteit los van liefde. De onmogelijkheid van hun verbintenis is dus ongrijpbaarder, dubbelzinniger en Alexis’ brief is daardoor kwetsender dan een bekentenis van homoseksualiteit zou zijn geweest – welke stroperige, aarzelende of respectvolle toon hij ook aanslaat.

De brief van Alexis is een knap staaltje verleidingskunst van iemand die zijn masker wil afnemen, maar zich in allerlei bochten wringt om dat toch niet te hoeven doen. Of hij zich ooit werkelijk de door hem verlangde vrijheid kan toeëigenen, lijkt de vraag. Hij betoont zijn vrouw op papier ‘respect’ zonder de moed te kunnen opbrengen werkelijk vis-à-vis met haar te spreken. Monique begrijpt immers alles al ‘voordat men haar alles heeft gezegd’. In zijn poging lucide te zijn ten opzichte van zichzelf, zichzelf te kennen en een oordeel over zichzelf te vellen, sluit hij de ander, toch direct betrokkene, volledig buiten. Wij horen alleen de mannelijke stem, zíjn versie, zíjn autoriteit. De getuigenis blijft gesloten, naar binnen gericht.

In Het genadeschot is het wederom een vrouw die door haar passie voor een man van ambigue seksualiteit het onderspit delft. Vijftien jaar na dato vertelt Eric von Lhomond, een Pruisische avonturier ‘met Baltisch en Frans bloed’ over zijn onvoorwaardelijke vriendschap voor de ‘goddelijk jonge’ Conrad, een ‘Balt met Russisch bloed’. Zijn zuster Sophie vat, in een chaotische en gewelddadige oorlogswinter in Katowice, een wanhopige hartstocht voor Eric op. Yourcenar laat alle tragische fasen van een driehoeksverhouding de revue passeren alvorens tot de onontkoombare apotheose te komen, waarbij de beminde zijn versmade geliefde doodt.

Weer geeft Yourcenar de vrouw geen stem, weer is zij slachtoffer van onbestemde en dubbelzinnige instincten waar zij geen weet van heeft. ‘Ik verborg niets’, schrijft de mannelijke verteller, ‘behalve het essentiële’. Dat is, bij alle nagestreefde luciditeit, waarachtigheid en waardigheid van de mannelijke vertellers precies het dubbelzinnige van deze bekentenissen: de gevangenis wordt verkend, de kern blijft verborgen.

Marguerite Yourcenar: ‘Alexis & Het genadeschot. Vert. Theo Kars en Jenny Tuin. Te bestellen via nc.nl/webshop

    • Margot Dijkgraaf