Engerd

Mijn vrouw kwam thuis met een onverkwikkelijk dilemma en of ik maar even mijn mening wilde geven. Nu kan het heel aangenaam zijn om geraadpleegd te worden. Het geeft je een zeker gevoel van macht, wat tot uitdrukking komt in een ijdel golfje warmte in de hogere delen van de borst.

Maar dít was een wel erg lastige kwestie.

Overdag was mijn vrouw oppas geweest bij Hidde, ons jongste kleinkind. Tot zover niets bijzonders. Als volwassene kom je tegenwoordig niet meer uit de luiers. Die van je eigen kind heb je nog maar net weggedaan als het kleinkind alweer om zorg schreeuwt. Dommelend oud worden is er niet meer bij. Zelf kan ik me er nog enigszins aan onttrekken met de smoes dat ik loonslaaf ben in dienst van een bikkelhard commercieel bedrijf, maar hoe lang zal dat nog geaccepteerd worden?

’s Middags hadden er twee kleine meisjes, onder de tien nog, aangebeld bij mijn vrouw. Ze zagen er goed verzorgd uit en hadden een uitstekende woordkeus.

„Wilt u iets geven voor de ijsbeer?” vroeg de oudste, terwijl ze een blaadje liet zien.

„Hoe bedoel je dat?” vroeg mijn vrouw.

„Nou, er zijn grote ijsberen op de Noordpool, en die hebben het erg moeilijk, maar ze kunnen ze niet zomaar in de woestijn zetten. Als u nou geld geeft, kunnen ze dat gebruiken voor de ijsbeer.”

„En waar zijn jullie van?”

„Van het Wereld Natuur Fonds.”

Zei prins Bernhard dat ook niet altijd? Maar daar kun je die kinderen niet mee lastigvallen.

Omdat mijn vrouw voor haar donatie van drie euro een formulier moest invullen, en Hidde in de box lag te protesteren, vroeg ze de kinderen binnen te komen.

Natuurlijk mevrouw! Wat een leuke baby heeft u! Ziet u dat hij zijn sokje uit heeft? Mag ik hem weer aandoen?

Dat mocht. Alles mag bij mijn vrouw, als je maar klein bent.

De oudste instrueerde mijn vrouw over het invullen van het formulier („Ook de datum graag”) en toen was het weer tijd om te gaan.

’s Avonds kwam mijn dochter thuis om haar oppasmoeder af te lossen, althans voor de nacht. „Heb jij die kinderen binnengelaten?” vroeg ze verbaasd. „Is dat nou wel verstandig?”

„Er lopen hier toch geen straatrovertjes uit Rio rond?”

„Daar gaat het niet om. Die kinderen komen erdoor in verwarring. De volgende keer gaan ze bij een of andere engerd binnen die niet te vertrouwen is.”

Daar had mijn vrouw niet aan gedacht. Zij is nog van een generatie die in haar eentje hele straten afging voor ‘de kindjes in de missie’. (Ik had destijds al goede smoezen om deze plicht te ontduiken.) En toen waren er toch ook ‘engerds’?

„Wat vind jij daar nou van?” vroeg ze me.

Het is mij al vaker opgevallen dat mijn mening vooral gevraagd wordt als er tweedracht dreigt in de familie. Daar ben ik wél goed voor. Ik aarzelde lang tussen de argwaan van mijn dochter en de onschuld van mijn vrouw. Toen zei ik: „Is het niet in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ouders van die kinderen?”

Geef toe, daar zou Salomon niet ontevreden over zijn geweest.

Maar ik besef dat ik er iets te gemakkelijk mee wegkom.

    • Frits Abrahams