Eer de Onbekende Verkrachte Vrouw

Naast de monumenten voor de Onbekende Soldaat zou het passend zijn ook een monument op te richten voor een grote groep vergeten slachtoffers van oorlogsgeweld, schrijft Heleen Mees . Een oproep die door velen wordt ondertekend. Morgen is het Internationale Vrouwendag.

Tekening Bas van der Schot Schot, Bas van der

Voor de vrouwen in Kenia is het goed nieuws dat het Kofi Annan, oud-topman van de Verenigde Naties, gelukt is om een vredesakkoord tot stand te brengen. Toen de afgelopen maanden geweld en wetteloosheid de sfeer in Kenia nog bepaalden, hadden zij het zwaar te verduren. Groepsverkrachtingen door gewapende mannen waren aan de orde van de dag. De artsen van het vrouwenhospitaal in de hoofdstad kregen twee keer zo veel verkrachtingsslachtoffers binnen als anders en zij vrezen dat dit slechts het topje van de ijsberg was.

In conflictzones verspreidt seksueel geweld zich met de snelheid van een epidemie, zo signaleerde de kinderrechtenorganisatie Unicef onlangs. Wanneer samenlevingen ineenstorten, lijkt dat vaak een vergunning om te verkrachten. Of het gaat om burgeroorlog, rassenrellen, pogroms of andere gewapende strijd, maar al te vaak wordt het lichaam van de vrouw onderdeel van het strijdtoneel. Er doen zich op grote schaal ongekende vormen van seksueel geweld voor. De slachtoffers variëren van meisjesbaby’s tot bejaarde vrouwen.

In Darfur kidnapten de Janjaweed vorig jaar een twaalfjarig meisje, dat een week lang door een groep mannen werd verkracht; de benen van het meisje waren daarbij zover uit elkaar getrokken dat ze voor de rest van haar leven kreupel zal zijn. De grootste angst van de meisjes en vrouwen in Darfur is dat ze nooit meer een echtgenoot zullen vinden zodra bekend wordt wat hun overkomen is. Onder de sharia worden verkrachte vrouwen vervolgd voor overspel of hoererij. Ten minste twee verkrachtingsslachtoffers zijn het afgelopen jaar in Soedan gestenigd. Zoals de vluchtelingenorganisatie Refugees International het omschrijft: „De kans is groter dat de regering actie onderneemt tegen het slachtoffer dat de verkrachting rapporteert en documenteert dan tegen de daders.”

Ook in de Democratische Republiek Congo krijgen niet de daders maar de slachtoffers de schuld. Na hun verkrachting, waarbij ze niet zelden ook nog eens genitaal worden verminkt door een kogelschot of doordat ze naakt op het vuur zijn gegooid, worden deze Congolese vrouwen op grote schaal verstoten door hun mannen en buitengesloten door de gemeenschap. In culturen waar meisjes en vrouwen worden uitgehuwelijkt en het kuisheidsideaal centraal staat, geldt eer verloren, al verloren. Het stigma waarmee verkrachte vrouwen na afloop te maken krijgen weegt vaak net zo zwaar, zelfs zwaarder, als de gruwelijke geweldervaring die ze moesten doorstaan. Is het gek dat veel vrouwen er liever het zwijgen toe doen?

Na afloop van zijn bezoek aan Oost-Congo afgelopen najaar sprak minister Koenders voor Ontwikkelingssamenwerking bij de Verenigde Naties in New York zijn afschuw uit over wat hij daar had gezien. Volgens Koenders is seksueel geweld een wapen van moderne oorlogsvoering geworden. Een wapen dat specifiek is gericht tegen vrouwen en endemische proporties aanneemt.

Ook na de val van Troje werden de vrouwelijke inwoners van de stad verkracht, verhandeld en vernederd. Het Oude Testament spreekt van aanvallers die in plaats van de mannen te doden, hun concubines verkrachtten. En in de Tachtigjarige Oorlog vergrepen zowel de soldaten van de Spaanse koning Filips II als de geuzen zich aan de vrouwen op het platteland. De vrouw geldt sinds de vroegste historie als oorlogsbuit. Zowel de literatuur als de geschiedschrijving geeft daarvan voorbeelden te over. Seksueel geweld mag van alle tijden zijn, dat betekent niet dat het genormaliseerd mag worden, alsof het om een – oncontroleerbare – natuurramp zou gaan.

Tijdens de recente Balkanoorlog werden vrouwen verkracht met als doel ze het kind van de vijand te laten baren. Volgens schattingen van de Europese Unie zijn in Bosnië alleen 20.000 vrouwen slachtoffer van verkrachting geworden; 1 tot 4 procent van hen zou zwanger zijn geraakt. De vrouwen zijn veelal aan hun lot overgelaten; getraumatiseerd door hun ervaringen en veroordeeld tot een leven in armoede. Slechts een enkeling heeft financiële compensatie gekregen voor het lijden dat voortduurt in de vorm van nachtmerries, fysiek letsel en psychische aandoeningen.

In 1945 werden naar schatting 2 miljoen meisjes en vrouwen slachtoffer van de seksuele wreedheden van soldaten uit het Rode Leger; niet alleen Duitse vrouwen, stokoud en piepjong, maar ook joodse onderduiksters, overlevenden van concentratiekampen en verzetsvrouwen. De schaamte en schande over de ‘verloren eer’ riepen een „sfeer van zelfmoord” op, aldus de Duitse journaliste Ruth Andreas-Friedrich in haar dagboek. Alleen in april 1945 pleegden al meer dan vijfduizend Berlijners zelfmoord.

De door de Russen verkrachte vrouwen en meisjes werden door hun mannen, vaders, verloofdes en leraren vermoord of geprest om zelfmoord te plegen, óf preventief, omdat hun ‘eer’ van hogere waarde was dan hun leven. Zoals Jolande Withuis, schrijfster die verbonden is aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, opmerkt in haar boek De vrouw als mens, resulteerden de gevoelens van schuld en schaamte – ook bij mannen die hun vrouwen en dochters niet uit de handen van de Russen hadden weten te houden – in Duitsland in een collectief geheugenverlies over de gruweldaden vrouwen aangedaan.

Ook bij ons is war rape lange tijd buiten het collectieve geheugen gebleven. In de officiële nationale geschiedschrijving van Lou de Jong is slechts een korte paragraaf gewijd aan de zogenaamde ‘troostmeisjes’ in de Tweede Wereldoorlog. De paragraaf opent met de zin: „Voorrechten genoten ook die vrouwen die seksuele relaties met de Japanners onderhielden”, terwijl in werkelijkheid tienduizenden (en volgens sommige schattingen zelfs 200.000) meisjes en vrouwen maandenlang stelselmatig waren verkracht. Uit het feit dat De Jong de vrouwen kortweg tot prostituees bestempelt, blijkt hoezeer in het toenmalige denken over de seksen, niet de dwang en het geweld het grootste probleem vormden, maar de vermeende onkuisheid van de vrouwen.

Voor veel meisjes en vrouwen was en is de gedwongen, niet-huwelijkse seks erger dan de dood. In dat licht is het opmerkelijk dat er in het internationaal recht lange tijd nauwelijks aandacht is geweest voor deze vorm van oorlogsmisdaad. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog was het verbod van verkrachting duidelijk ingeburgerd in het internationale recht. Toch hebben de tribunalen van Neurenberg en Tokio er slechts in beperkte mate aandacht aan besteed, en is er slechts in een zeer beperkt aantal gevolgen tot strafvervolging overgegaan.

Tijdens de genocide in Rwanda was verkrachting van vrouwen eerder regel dan uitzondering. Toch werd slechts bij toeval – en pas in tweede instantie – seksueel geweld meegenomen in de aanklachten van het Rwandatribunaal. Dat gebeurde toen een Rwandese vrouw bijna terloops voor het tribunaal verklaarde dat zij en andere vrouwen voorafgaand aan de moordpartij waren verkracht. Een oplettende – vrouwelijke – rechter vroeg hierop door, en onthulde zo de enorme schaal van het seksuele geweld tegen vrouwen. Door het Rwandatribunaal werd verkrachting voor het eerst als een mogelijke daad van genocide omschreven.

In 2001 bestempelde het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag de stelselmatige verkrachtingen van meisjes en vrouwen zonder omhaal als misdrijf tegen de menselijkheid. In de zogeheten Foca-zaak veroordeelde het tribunaal drie Bosnische Serviërs tot gevangenisstraffen van 12 tot 28 jaar voor verkrachting, marteling en seksuele slavernij van moslimvrouwen tijdens de oorlog in Bosnië begin jaren negentig. Meisjes, soms niet ouder dan twaalf jaar, werden wekenlang door meerdere mannen verkracht. Een jonge moslimvrouw werd drie uur achter elkaar verkracht door vijftien mannen. Ze was bont en blauw toen ze terugkwam. Ze huilde en schreeuwde en bloedde overal. Volgens de rechters van het Joegoslaviëtribunaal werden de vrouwen beroofd van elke menselijke waardigheid en behandeld als vee.

Toch ontbreekt nog steeds de vanzelfsprekendheid van strafvervolging.

Onlangs protesteerden Congolese mensenrechtenorganisaties tegen de beperkte beschuldigingen tegen Thomas Lubanga. Deze rebellenleider, die de eerste gevangene is van het Internationale Strafhof in Den Haag, staat daar terecht voor de rekrutering van kindsoldaten. Dat de aanklacht tegen Lubanga in alle talen zwijgt over het geweld dat vrouwen is aangedaan, noemden de organisaties een ‘grote schok’ voor de vele vrouwelijke slachtoffers. In een petitie maanden zij het Strafhof veel meer onderzoek te doen naar de grootschalige en systematische verkrachtingen waaraan alle partijen in het conflict zich schuldig maken.

Afgelopen oktober riep minister Koenders de Veiligheidsraad op een einde te maken aan de straffeloosheid die zo kenmerkend is voor seksueel geweld tegen vrouwen in conflictsituaties. Zaken als verkrachting en andere vormen van seksueel geweld moeten – hoe ongemakkelijk ook – besproken worden met en door regeringen, parlementsleden, rebellenleiders en opiniemakers. Vervolging moet een vanzelfsprekendheid worden. Er moet een einde komen aan de Grote Stilte, opdat de slachtoffers worden bevrijd van de last van schuld en schaamte. Het Internationale Gerechtshof en andere relevante tribunalen moeten de daders een onmiskenbaar signaal geven dat de internationale gemeenschap deze gruwelijke misdaden niet langer zal tolereren.

Voor de verkrachte vrouwen tijdens oorlog en conflict zijn er – anders dan voor andere slachtoffers van oorlogsgeweld en veteranen – geen herdenkingsplaatsen en rouwrituelen. Zoals Withuis schrijft in De jurk van de kosmonaute (1995) tellen de vrouwen niet als slachtoffer noch als heldin. Hun oorlogswonden leveren geen uitkering op, noch erkenning en evenmin de onderlinge steun van lotgenoten. Ook daar moet verandering in komen.

Daarom moet er bij het nieuw te verrijzen Internationale Gerechtshof in Den Haag een Monument komen voor de Onbekende Verkrachte Vrouw. Een gedenkteken dat de delibererende rechters vanuit hun raadskamers goed kunnen zien, en dat hen er continu aan herinnert seksueel geweld tegen vrouwen goed in het vizier te houden.

Het monument moet slachtoffers die naar Den Haag komen, aanmoedigen om hun verhaal te doen: ze zijn niet alleen. Hun leed wordt erkend en herkend. Het moet een plek worden om te rouwen en te gedenken. Maar het moet ook een monument worden van verzet. Vrouwen zijn het aan andere vrouwen verplicht om in het geweer te komen. Alleen onze verontwaardiging en onze politieke druk kunnen tot veranderingen leiden.

Deze oproep is ondertekend door Femke van Zeijl, Mariko Peters, namens Women on Top; Abdullahi A. An-Na’im (Soedan/VS), hoogleraar rechten; Chouchou Namegabe Nabintu Franchou Dubuisson (Dem. Rep. Congo), voorzitter Association des Femmes des Media; Stasa Zajovic (Servië), mede-oprichter en coördinator Women in Black; Asma Jahangir (Pakistan), advocaat voor het Hooggerechtshof van Pakistan; Justine Masika (Dem. Rep. Congo), voorzitter van het samenwerkingsverband Vrouwen voor slachtoffers van seksueel geweld Congo; Kees Wagtendonk, voorzitter Stichting Japanse Ereschulden; Ruth Oijambo Ochieng (Oeganda), directeur Isis-Women’s International Cross Cultural Exchange; Nadje Al-Ali (Irak), oprichter Act Together - Women’s Action on Iraq; Ruth Oijambo Ochieng, directeur Isis-Women’s International Cross Cultural Exchange Uganda; Haifa Zangana, author of Women on a Journey; Domilitta Mukantaganzwa (Rwanda), Service National des Juridictions Gacaca.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Verkrachte vrouw

Het artikel Eer de Onbekende Verkrachte Vrouw op de opiniepagina van de krant van 7 maart van Heleen Mees was mede geschreven door Femke van Zeijl. De medeondertekenaar namens de Stichting Japanse Ereschulden heet niet Kees Wagtendonk maar Jan van Wagtendonk.

    • Heleen Mees