Een liedje is net zo effectief als een conference

Een liedje is in televisietermen een zapmoment. Elke kijkcijferdeskundige kan dat aantonen op basis van de staafdiagrammen, waarin de kijkdichtheid van elk tv-programma van minuut tot minuut wordt gemeten. Het is, hoe onvoorstelbaar ook, een feit: zodra iemand op de televisie een liedje begint te zingen, grijpen honderdduizend kijkers (of soms zelfs nog meer) naar de afstandsbediening . Daarom mag iets muzikaals in De wereld draait door nooit langer duren dan een minuut. Daarom wordt er bij Pauw & Witteman pas aan het eind van de uitzending gezongen en/of gemusiceerd. En daarom duren de liedjes in de talentenjachtshow Idols zelden langer dan anderhalve minuut, terwijl het juist dáár toch om de vocale prestaties van de kandidaten zou moeten gaan.

De VARA, waar veel cabaretiers hunprogramma’s kunnen vertonen, ruimt geen zendtijd in voor voorstellingen die voornamelijk uit liedjes bestaan. Toen die beslissing een paar jaar geleden werd genomen, zal men vast en zeker ook aan de zappende kijkers hebben gedacht. Grappen trekken publiek, liedjes niet. Zingende cabaretiers als Jeroen van Merwijk en Maarten van Roozendaal oogsten daardoor veel minder tv-bekendheid dan de collega’s die louter gesproken woord te bieden hebben. En ze trekken zodoende ook minder publiek naar hun theatervoorstellingen.

Terwijl het in feite geen enkel verschil zou moeten maken of een cabaretier zijn maatschappelijke engagement – indien aanwezig, uiteraard – in een conference of in een lied verwerkt. De vorm van een lied kan soms zelfs de voorkeur verdienen, omdat die dwingt tot vormvastheid en geen ruimte biedt aan overbodige aanloopjes en uitweidingen. Het moet kernachtig zijn.

Vorige maand ging Jeroen van Merwijk in première met het programma Graag meneer Van Merwijk. Een van zijn nieuwe liedjes heet De latten liggen laag. Het biedt een cultuurpessimistische kijk op het huidige niveau van onderwijs, politiek en andere richtinggevende sectoren in dit land. Ik zou niet weten hoe Van Merwijk die wrange boodschap beter had kunnen verwoorden dan in deze vorm, op een deuntje dat zich zo makkelijk als een feestnummer laat meezingen – waardoor de botsing tussen tekst en melodie een extra komisch effect bewerkstelligt. Af en toe is Van Merwijk óók niet-zingend aan het woord, bijvoorbeeld in een sardonische tirade tegen invaliden die dezer dagen bij hoog en laag willen ontkennen dat ze zielig zijn. Maar in De latten liggen laag is hij op zijn best.

Hetzelfde geldt voor Maarten van Roozendaal, die maandag in première ging met Het Wilde Westen. In muzikaal opzicht lopen ze ver uiteen, maar beider idioom is even erudiet en origineel. Hooguit iets minder toegankelijk voor het publiek dat massaal naar cabaret komt kijken, maar dat lijkt me alleen maar een aanbeveling. Ooit was cabaret een elitaire kunstvorm. Die tijd zou wat mij betreft best mogen terugkeren.

Ruim honderd jaar geleden is in Parijs het cabaretgenre ontstaan met artiesten die anti-burgerlijke liedjes zongen. Het lied was er dus eerst, pas later kwam het gesproken woord.