Cicero kreeg geen AOW en werd ook nog onthoofd

Cicero. De kunst van het oud worden. Vertaald en toegelicht door Vincent Hunink. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 95 blz. € 13,50

Cicero. De kunst van het oud worden. Vertaald en toegelicht door Vincent Hunink. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 95 blz. € 13,50

Het enige vervelende van ouderdom is het domme gezeur van – meestal jonge – mensen over hoe vervelend het is om oud te zijn. Ik ben 72 en kan dus oordelen over de ouderdom. Welnu: elke leeftijd heeft zijn vervelendheden. Maar wat mij betreft is de ouderdom een van de prettigste leeftijden.

Uitgescholden worden als oude man, dat is zeldzaam. Een keer ben ik in een krant uitgemaakt voor ‘dinosaurus’ en ‘lid van de kunstgebitten-generatie’. Ik heb geen kunstgebit en een dinosaurus werd hoogstens dertig jaar oud. Ik hou van schelden, maar iemand zijn ouderdom naroepen is geen goed idee.

Oude mensen lezen graag en dus zijn er veel boeken over ouderdom. Het klassieke boek daarover is een kort essay van Marcus Tullius Cicero uit het jaar 44 voor Christus, waarin zogenaamd Cato de Oude in het jaar 150 voor Christus aan twee jonge mensen uitlegt dat oud zijn helemaal geen problemen geeft. Cato stierf een jaar later, dus in 149 voor Christus. Het merkwaardige is dat Cicero ook een jaar na het schrijven van zijn boek over Cato, dus in 43 voor Christus, het leven verloor – of om precies te zijn: door zijn politieke vijand werd onthoofd en onthand, waarna hoofd en handen in de Romeinse senaat tegen de muur werden genageld. Hij was toen 63 jaar, wat in die tijd zeker als ‘oud’ gold.

Vincent Hunink heeft het boekje schitterend vertaald. Als Cicero het over de zogenaamde stultam senectutem (stomme ouderdom) heeft, dan schrijft hij met bijna dezelfde tamtam: ‘ouderdom die dom is’.

Cato, dus eigenlijk Cicero, begint met het opnoemen van de vier redenen waarom ouderdom als ellendig geldt: ‘De eerste is dat hij ons onze activiteiten ontzegt, de tweede dat het lichaam verzwakt raakt, de derde dat we bijna alle genoegens kwijtraken’ – Cicero heeft het hier over voluptates, dat ik zou lezen als seksueel genot – ‘en de vierde dat we dan niet ver meer af zijn van de dood’.

Die vier beweringen gaat hij vervolgens, met sterke en met minder sterke argumenten, bestrijden. Zwak is natuurlijk dat hij de 84-jarige Cato aan het woord laat die nogal opschepperig beweert dat hij zich alles van zijn eigen verleden en van de Romeinse Republiek nog precies herinnert. Het blijft mij een raadsel dat de Romeinen niet een jaar Nul hebben vastgesteld en jaartallen gingen gebruiken, zodat hun hele geschiedenis steeds maar weer de formule ‘voor Christus’ moet herhalen. Maar bij politici als Cato en Cicero ligt het voor de hand dat ze data onthouden naar de namen van de Romeinse consuls die in die jaren aan de macht waren.

Een uitweiding over het mooie van het boerenleven, waar de boerenzoon Cato inderdaad over had geschreven, heeft met de aangekondigde bedoeling van het boek niets te maken, maar is door Cicero, die nooit boerde, heel goed geschreven. Het gaat nu even niet over ouderdom en dan let je meer op de stijl. Je hebt voortdurend de neiging zinnen hardop te lezen. Cicero begon als advocaat en het eerste Latijn dat mij beviel was zijn aanklacht tegen de Romeinse gouverneur van Sicilië, Verres, waarbij je in elke zin zijn stem kon horen.

Als u jong bent moet u dit boekje even lezen om alle vooroordelen over ouderdom te laten varen. Als u oud bent weet u het al, maar dan kunt u zien dat het 2.052 jaar geleden weinig anders was. Hoewel: er bestond toen geen AOW, er waren geen ziekenhuizen en operaties. Er waren wel slaven, en een vooraanstaand politicus werd zomaar onthoofd, maar daar gaat dit boek niet over.

    • H. Brandt Corstius