China overweegt meer-kindpolitiek

Het Volkscongres in China bespreekt een versoepeling van het één-kindbeleid.

Het land heeft behoefte aan een grotere, beter opgeleide beroepsbevolking.

„Mijn generatie betaalt nu het pensioen van de ouderen, maar als ik oud ben is het geld op. Daarom wil ik ten minste twee kinderen”, zegt de 26-jarige studente Wu Dan op straat in Peking. Wu is bereid om de boete van 1.500 euro voor een tweede kind te betalen, maar misschien zal dat niet nodig zijn. Deze week maakte Zhao Baige, de Chinese viceminister van Bevolkings- en Gezinsplanning, bekend dat China uit zorg over de vergrijzing overweegt het één-kindbeleid op te geven.

Uit angst voor een bevolkingsexplosie besloot Deng Xiaoping in de jaren tachtig dat gezinnen in de steden maar één kind mochten krijgen. In bepaalde steden geldt een uitzondering voor ouders die beiden zelf enig kind zijn. En op het platteland mogen ouders een tweede kind krijgen wanneer het eerste kind een meisje is of gehandicapt. Daar wordt de boete meestal niet geïnd.

„De één-kindpolitiek heeft goed gewerkt”, zei Wu Jianmin, woordvoerder van het Chinese Politieke Consultatieve Volkscongres (CCCP), de Eerste Kamer van China. Die brengt deze week een advies over het onderwerp uit aan het Nationale Volkscongres, dat in Peking bijeen is. „Maar het is goed mogelijk dat we het beleid aanpassen.”

In China moeten steeds minder werkenden zorgen voor steeds meer ouderen. In de officiële bevolkingsstatistieken stonden eind vorig jaar 144 miljoen zestigplussers geregistreerd op een totale bevolking van 1,3 miljard. Dat aantal zal in 2020 zijn gestegen tot 249 miljoen en in 2051 tot 437 miljoen, terwijl verwacht wordt dat de totale bevolking ongeveer even groot blijft.

China’s huidige problemen met het sociale stelsel dienden zich 25 jaar geleden aan toen het land economisch de teugels liet vieren. De sanering van de staatsbedrijven betekende het einde van de traditionele verzorging van de wieg tot het graf door de overheid; Mao’s ijzeren rijstkom werd opgeborgen.

De sterke economische groei van de afgelopen decennia is gerealiseerd door een enorm arbeidspotentieel in de leeftijd van twintig tot vijftig jaar. Door het één-kindbeleid zal de beroepsbevolking in de komende jaren eerder af- dan toenemen ten opzichte van een groeiende groep ouderen.

Volgens Louis Kuijs, econoom bij de Wereldbank in Peking, zal China het in de komende twee decennia hoe dan ook moeilijk krijgen, omdat een opheffing van het één-kindbeleid pas over een generatie effect zal hebben op de beroepsbevolking.

China heeft steeds meer goedgeschoolde werknemers nodig om de economische groei in stand te houden. Het onderwijs in de steden is inmiddels ver genoeg ontwikkeld om die werknemers op te leiden. Meer kinderen zijn dus welkom in de stad.

Als het één-kindbeleid wordt opgeheven, zal dat volgens Kuijs niet tot een bevolkingsexplosie leiden. Veel Chinezen, zoals studente Wu, zijn bereid om de boete te betalen en krijgen nu al meer dan één kind. En armen zullen niet opeens grote gezinnen stichten. „In andere landen die een vergelijkbare ontwikkeling hebben gekend, zoals Japan en Taiwan, zie je nu gezinnen met meestal twee of hooguit drie kinderen.”

Hoogleraar en directeur van het Bureau voor Ontwikkelingsstudies in Groningen Peter Ho is ervan overtuigd dat China zal toezien op een geleidelijk proces. „Een onmiddellijke totale afschaffing betekent chaos, daarom zal China ervoor kiezen om de gevolgen van bevolkingsgroei op het gebied van huisvesting, milieu en energie beheersbaar te houden.”

Omdat er verschillende departementen bij een dergelijke beleidswijziging zijn betrokken, zal de uiteindelijke beslissing nog op zich laten wachten, denkt Ho. Hij verwacht overigens dat een versoepeling alleen zal gelden voor een aantal steden. „Het platteland is van de familie, maar in de steden zijn steeds meer ouderen op zichzelf aangewezen. Daarom moet het huidige beleid op de helling.”

    • Bettine Vriesekoop