Britse greep op Afghanistan onvast

De tegenstand van de Talibaan in Afghanistan heeft ook de Britten verrast. Londen bereidt zich voor op een langdurige missie. Terugtrekken is geen optie.

Britse militair op nachtelijke patrouille in Kabul. De Britten hebben 7.700 manschappen in Afghanistan, de meesten zijn gelegerd in de provincie Helmand. Foto AFP A British soldier with the NATO-led International Security Assistance Force (ISAF) keeps watch during a night patrol in the streets of Kabul on March 2, 2008. Britain has some 7,800 troops in Afghanistan as part of the 40-nation NATO-led coalition. Most are based in Helmand, where fighting against Taliban insurgents has been among the fiercest. Prince Harry spent about 10 weeks with British troops in Helmand before being pulled out on March 1 after a news blackout was breached. AFP PHOTO/SHAH Marai AFP

De Britse prins Harry keerde vorig weekend na het uitlekken van zijn militaire avontuur in Afghanistan vroegtijdig maar voldaan terug. De strijd tegen ‘Terry Taliban’, zoals hij en zijn collega-militairen hun tegenstanders in de zuidelijke provincie Helmand jolig aanduiden, bleek hem prima te zijn bevallen.

Het enthousiasme van de prins kan niet verbloemen dat de missie van de circa 7700 Britse militairen in Afghanistan veel moeizamer verloopt dan vermoed. De hoop dat de Britten „binnen drie jaar zonder een schot af te vuren terugkeren” (minister van Defensie John Reid in 2006) is verdampt. In werkelijkheid zijn er al 89 Britten gesneuveld en wordt het een kwestie van lange adem.

De Britse ambassadeur Sherard Cowper-Coles waarschuwde vorig jaar dat het nog wel dertig jaar kan duren voor de tijd rijp is voor terugtrekking. Met het oog daarop breiden de Britten hun ambassade in Kabul steeds verder uit, tot een van de grootste ter wereld.

De Britten zijn namens de NAVO verantwoordelijk voor Helmand, met zijn omvangrijke papaverteelt en drugssmokkel beschouwd als een van de lastigste gebieden. Hun greep op de provincie blijft onvast. Eind vorig jaar slaagden ze er na zware gevechten in de strategische plaats Musa Qala op de Talibaan te heroveren.

Uit alle macht proberen ze nu met het Afghaanse leger en Mullah Salaam, een voormalige Talibaan-commandant die als districtsgouverneur is aangesteld, de burgerbevolking op hun hand te krijgen door scholen en andere voorzieningen op te zetten. Britse journalisten melden echter dat de sfeer ter plaatse grimmig is en dat bewoners rekening houden met een terugkeer van de Talibaan.

De Afghaanse president Hamid Karzai klaagde enkele weken geleden openlijk dat het in Helmand sinds de komst van de Britten in 2006 alleen maar onveiliger is geworden. Kort daarvoor had hij twee diplomaten, een Brit en een Ier, uitgewezen, die buiten hem om onderhandelingen waren begonnen met Mullah Salaam.

De Britse kolonel Christopher Langton, verbonden aan het onafhankelijke International Institute for Strategic Studies in Londen, tilt daaraan niet al te zwaar. „Karzai heeft zelf ook geprobeerd tot een vergelijk te komen met gematigde Talibaan-leiders, want hij erkent dat zulke mensen in sommige streken de enigen zijn met lokale politieke steun.”

Langton wijst er bovendien op dat de term ‘Talibaan’ meer eenvormigheid suggereert dan er is. „De Talibaan leiden de opstand, maar niet alle opstandelingen zijn zelf een Talib (een student aan een koranschool, red). Er zitten huurlingen onder en mensen die meer van de Talibaan verwachten, zoals papaverboeren en drugshandelaren. Sommigen doen soms iets voor de Talibaan, hier en daar een explosief mechanisme plaatsen bijvoorbeeld. Daarna bewerken ze weer vrolijk hun stukje land.”

Enige kinnesinne was Karzai bij zijn kritiek op de Britten vermoedelijk niet vreemd. Hij heeft nooit kunnen verkroppen dat de Britten hem dwongen zijn bondgenoot Mohammed Akhundzada, in Britse ogen een corrupte bruut, als gouverneur van Helmand af te zetten. Ook was hij geprikkeld door de poging van Washington en Londen de Brit Paddy Ashdown als coördinator benoemd te krijgen. Deze zou het werk van de militairen en de civiele autoriteiten beter op elkaar moeten afstemmen. Karzai zag Lord Ashdowns komst echter als een bedreiging voor zichzelf en stak er een stokje voor.

Ook de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates uitte echter kritiek op de volgens hem weinig effectieve bestrijding van de opstandelingen in het zuiden van Afghanistan. Hij kreeg steun van Leo Docherty, een afgezwaaide Britse officier die zelf in Afghanistan had gediend. In The Independent on Sunday stelde hij dat de Britten kapitale fouten hebben gemaakt in 2006. Ze vergaten de beginselen van de ‘counter-insurgency’, de strijd tegen opstandelingen. Cruciaal was het frequente gebruik van geweld. „Toen de eerste Britse bommen vielen, waarbij Afghaanse burgers werden gedood, werd de slag om de harten verloren”, aldus Docherty.

Kolonel Langton haalt zijn schouders op over zulke kritiek. „Militair gezien zijn de Britten tot nu toe tamelijk succesvol geweest”, stelt hij. „Hun doel was de Talibaan uit de strategische Sangin-vallei verdrijven en de Kajaki-dam in het noorden van Helmand zeker te stellen, zodat er water kon worden gevoerd naar grote delen van Kandahar en Helmand. Daarin zijn ze volgens mij geslaagd.”

Maar ook hij erkent dat de Britten, zoals de hele NAVO-operatie in Afghanistan, kampen met een tekort aan manschappen en aan helikopters. Er ontbreekt in eigen land draagvlak voor meer inspanningen. „Het probleem is dat politici meestal een heel beperkte horizon hebben, gewoonlijk de volgende verkiezing, en dat is niet wat je bij een ‘counter-insurgency’ nodig hebt”, aldus Langton.

Veel waarnemers vragen zich intussen af of de Britten en hun bondgenoten wel op het juiste spoor zitten. Rory Stewart, een voormalige Britse diplomaat in Irak die nu voor een hulporganisatie in Kabul werkt, wees er in het maandblad Prospect op dat het ook de Russen in de jaren ’80 niet is gelukt de macht in Afghanistan te behouden. En dat terwijl ze over een legermacht van 160.000 man beschikten en zich nauwelijks om de publieke opinie in eigen land hoefden te bekommeren. De NAVO beschikt thans over 41.000 militairen in Afghanistan.

Stewart maande de Britten tot bescheidenheid. „We moeten veel van onze vruchteloze strijd tegen de opstandelingen en van onze programma’s tegen de drugshandel staken. We moeten een benadering kiezen die beter valt vol te houden en die wordt gedragen door lokale mensen.”

Kolonel Langton hekelt het gebrek aan coördinatie tussen de militairen en de civiele hulpinstanties. Hulpverleners vinden het te onveilig om aan wederopbouw te werken en de NAVO zelf mist daarvoor de instrumenten. „Misschien is dat een van de belangrijkste lessen: dat je de NAVO op pad moet sturen met het hele instrumentarium en niet slechts met een deel.”

Maar terugtrekking is volgens Langton geen optie. „Als we dat doen, staan de Talibaan weer tegenover de Afghaanse regeringstroepen en zijn we terug bij de bloedige burgeroorlog van de jaren ’90. Dat mag niet gebeuren.”

    • Floris van Straaten