Barbaars. Zij ook. Toen al.

De vroegste Nederlandse schilderkunst wijkt zo veel af van wat we gewend zijn, dat het werk uit een andere cultuur lijkt te komen. Maar er is ook Rembrandt avant la lettre.

‘Johannes de Doper in de wildernis’ van Geertgen tot Sint Jans foto Museum Boijmans Van Beuningen Museum Boijmans van Beuningen

De crux van de tentoonstelling Vroege Hollanders wordt goed zichtbaar in een van de kleinste panelen. Op De verheerlijking van Maria van Geertgen tot Sint Jans (26,8 x 20,5 cm) zien we de moeder Gods met baby Jezus in haar armen, zittend op een sikkel. Het duo is omgeven door drie eivormige cirkels waarin engelen rondvliegen. De engelen in de buitenste, donkerbruine cirkel torsen allemaal een muziekinstrument (viool, harp). Die in de middelste, rode ring dragen symbolen van de kruisiging: een doornenkroon, een rozenkrans, de lans waarmee Jezus in zijn zij werd gestoten. De functie van de engelen in de binnenste, geel-oranje ring is minder duidelijker; in ieder geval hebben sommigen zes vleugels en zetten er twee Maria een kroon op haar hoofd. De kleuren van die engelencirkels trouwens, geven het geheel een prachtig effect: aan de ene kant suggereren ze dat Maria en Christus een warme gloed uitstralen, tegelijk lijkt het of moeder en zoon door het vuur worden aangevallen. En oh ja, aan haar voeten zit ook nog een lelijk, hagedisachtig serpent dat zijn lange rode tong naar het duo uitsteekt. Ergens in een hoek zweeft nog een klavecimbel. Probeer er maar eens chocola van te maken.

Ondertussen vormt dit paneeltje wel de basis van onze visuele traditie, samen met de overige schilderijen op de expositie Vroege Nederlanders in Museum Boijmans Van Beuningen. Al deze werken werden van circa 1460 tot 1500 gemaakt in het Graafschap Holland (steden als Dordrecht, Leiden, Delft, Gouda, Amsterdam en Haarlem) en gelden daarom als de eerste ‘Nederlandse’ schilderijen. Het zijn de ‘hebban olla vogala nestas hagunnan’ van onze beeldcultuur en hun makers zijn de aartsvaders van onze kunst, de relatief onbekende schouders waarop de grote meesters naar de hemel reikten. Maar zo’n titel als Vroege Nederlanders doordringt de toeschouwer ook van de verschillen tussen ‘toen’ en ‘nu’, tussen ‘hen’ en ‘ons’. Sterker nog: wie in Museum Boijmans rondloopt beseft dat de Middeleeuwse manier van afbeelden zozeer afwijkt van wat wij zijn gewend dat je soms het gevoel hebt naar kunst uit een heel andere cultuur te kijken. In zekere zin is dat natuurlijk ook zo. Want dit is de kunst van voor de kennismaking met de Italiaanse Renaissance en het humanisme. Van voor Erasmus. Van voor de beeldenstorm. Van voor Willem van Oranje. En al helemaal van voor de Verlichting. In sommige opzichten heeft deze kunst meer overeenkomsten met die uit China of India dan met die van ons.

Maar juist die spanning tussen

vertrouwen en vervreemding maakt deze tentoonstelling intrigerend. Om de wortels van je eigen cultuur te kunnen erkennen, lijkt Vroege Nederlanders te zeggen, moet je de boom die erop gegroeid is durven vergeten. Dat betekent hier: heel anders kijken dan normaal.

Dat begint er mee dat van de Middeleeuwse kunstenaars zelden een naam of een biografie bekend is. De meesten worden aangeduid met de naam van hun bekendste werk, wat leidt tot kunstenaarsnamen als ‘Meester van het Amsterdamse Sterfbed van Maria’, ‘Meester van de Virgo inter Virgines’. Op zich natuurlijk geen bezwaar, maar door die anonimiteit zijn we ook de context die we tegenwoordig zo belangrijk vinden, kwijt. Van de bedoelingen van deze kunstenaars weten we zo goed als niets.

En dan staat hun verbeeldingswereld ook nog eens mijlenver af van de onze. Tot 1500 was het centraal perspectief, de kern van de moderne illusoire schilderkunst, nog niet tot Nederland doorgedrongen waardoor alle voorstellingen er wat diepte en perspectief betreft nogal onhandig uitzien – veel scheve tafels en natuurtaferelen die als puzzelstukken op elkaar zijn gestapeld. Tegelijk hebben deze schilders er geen probleem mee om het aardse en het hemelse leven ongegeneerd met elkaar te vermengen: op deze panelen lopen heiligen, duivels, doden en levenden door elkaar op een manier die wij tegenwoordig alleen nog maar als surrealistisch kunnen begrijpen.

Maar het zou heel goed kunnen dat ze deze manier van kijken in die tijd een stuk reëler vonden. Dat God en de heiligen en de duivel veel meer een onderdeel waren van het dagelijks leven. Dat de schenkers die staan afgebeeld op de zijpanelen van Geertgen tot Sint Jans’ Aanbidding van de koningen inderdaad het gevoel hadden dat de heilige Bavo en de heilige Adrianus vrienden waren die hen met raad en daad terzijde stonden. Of dat men werkelijk geloofde dat zesvleugelige engelen Maria kroonden en dat de duivel de vorm had van een salamander met een uitroltong. Er worden tegenwoordig wel vreemdere dingen uit heilige boeken gehaald.

Een soortgelijke vorm van gewenning lijkt nodig om grip te krijgen op de Middeleeuwse gewoonte om verschillende episodes uit een verhaal (vooral de levensverhalen van heiligen) op één paneel te vertellen – tot je beseft dat je ze gewoon kunt ‘lezen’ als stripverhalen. Wel is het handig te beseffen dat de verschillende locaties op een paneel niet alleen verschillende plekken, maar vooral een ander moment symboliseren.

Het mooiste voorbeeld daarvan op Vroege Hollanders is het paneel Het martelaarschap van de heilige Bartholomeus van de Meester van de Kruisafneming van Figdor (die dan misschien wel dezelfde is als Jacob Cornelis van Oostsanen). Dit paneel, tot tien jaar geleden bij kunsthistorici onbekend omdat het al twee eeuwen in de parochiekerk van Poeldijk hing, is een prachtig voorbeeld van de manier waarop ‘hun’ cultuur en de onze elkaar overlappen. Op het paneel vertelt de schilder het leven van de heilige Bartholomeus in vijf scènes. Aan de linkerkant preekt hij zijn geloof, rechtsachter stoot hij een afgodsbeeld van zijn sokkel en in het midden drijft hij bij een vrouw de duivel uit (boven haar mond verschijnt een klein zwart monstertje dat triomfantelijk zijn vleugeltjes heft). Tegelijk is op de voorgrond de vilscène te zien waaraan Bartholomeus zijn martelaarschap ontleent: de aanstaande heilige is vastgebonden op een houten bankje en ondertussen snijden zes mannen met wellustige halen grote lappen vel van zijn lichaam.

Het is een gruwelijk beeld, juist doordat de ‘Meester’ de meest realistische details niet schuwt. Een van de beulen heeft een mes tussen zijn tanden geklemd om lekker door te kunnen werken. Een ander trekt in een ruk het hele vel van de rechterarm eraf. Op de voorgrond staat een mandje met een beitel en een scalpel klaar – allemaal met een goed oog voor opbouw en detail geschilderd. Het maakt De martelaarschap tot een huiveringwekkend werk, barbaars ben je geneigd te denken, tot je beseft dat de verschillen tussen dit martelaarschap en films als The Silence of the Lambs of de Saw-serie eigenlijk marginaal zijn. Ook zij. Toen al.

En op dat punt wordt het dus interessant. Hoe verleidelijk het is om wat vertederd te lachen over de primitieve wijze van afbeelden, juist door die onmiskenbare verschillen vallen ook de overeenkomsten tussen vijfhonderd jaar geleden en nu extra goed op. Wie zich daarop concentreert krijgt op Vroege Nederlanders het gevoel dat hij, ergens hoog in de boom van de cultuur zittend, ineens de wortels en detail kan bestuderen. Alsof alle jaren ertussen, alle ontwikkelingen, verdwijnen en er een direct verband tussen toen en nu zichtbaar wordt. Niet dat dat verband zich zomaar laat omschrijven; veel van de termen die in eerste instantie in je hoofd opkomen, zoals soberheid, gebrek aan pretentie en helderheid, lijken avant la lettre aan het calvinisme ontleend. Maar daarbij komt langzaam ook het gevoel dat je hier het begin van een traditie ziet.

Hoe verschillend deze werken ook zijn

, hoe onduidelijk de bedoelingen van de kunstenaars ook waren, van al deze panelen spat het enorme plezier dat deze schilders hadden in hun pogingen grip te krijgen op de werkelijkheid, hún werkelijkheid. Hoezeer ze hun best deden de mooiste details te schilderen, wat een vernuft dat in ze naar boven bracht, wat een genoegen ze vonden in het reageren op elkaars werk. Daarbij leken ze heel goed te beseffen dat hun gemeenschappelijkheid, hun cultuur ertoe bijdroeg dat ze gezamenlijk beter werden. Niet doordat die cultuur zelf belangrijk was, maar doordat hun gemeenschappelijkheid ieder op dat moment individueel profijt opleverde – en later, in hun voetsporen, meesters als Jan van Scorel, Maarten van Heemskerck, Hendrik Goltzius, Frans Hals en Rembrandt van Rijn. En uiteindelijk iedereen.

Dat gevoel van kracht wordt op Vroege Hollanders versterkt doordat de samenstellers er in zijn geslaagd een opmerkelijk goed overzicht te bieden van de oeuvres van twee van de opvallendste vijftiende-eeuwse Nederlanders: de Meester van de Virgo inter Virgines en Geertgen tot Sint Jans. Van die laatste, vaak beschouwd als de beste Nederlandse schilder uit de vijftiende eeuw, zijn op Vroege Hollanders twaalf panelen te zien van de ongeveer vijftien die er van hem bekend zijn, waarmee de expositie dus terloops een bijna volwaardig Geergten-overzicht bevat, wat op zichzelf al een memorabele gebeurtenis is. Dat Boijmans hierover niet zo hoog van de toren blaast, komt ongetwijfeld doordat Geertgens twee beroemdste panelen, die in Wenen hangen, Rotterdam niet haalden. Maar dan blijft er nog genoeg over.

Geertgen is in zekere zin de Shakespeare van de vroeg-Nederlandse schilderkunst: in de werken die aan hem worden toegeschreven zitten zoveel stijlverschillen dat kenners zich nauwelijks kunnen voorstellen dat één man ze allemaal maakten. Maar ze zijn zo goed dat het moeilijk is vast te stellen welke moet afvallen. Neem De heilige maagschap (uit het Rijksmuseum), waarop de familie Van Nazareth inclusief Jezus, zijn moeder Maria en haar moeder Anna, in een gedetailleerd geschilderde kerk zitten. Het is een prachtig paneel, alleen zijn de gezichten heel anders geschilderd dan die op De opwekking van Lazarus (uit het Louvre) dat juist opvalt door de diepe kleuren, de uitgekiende compositie en geweldige details, zoals een aantal toeschouwers dat zijn neus dichtknijpt terwijl Lazarus uit het graf stapt – hij was al wat gaan rotten.

Toch zijn deze twee werken

weer nauwelijks te vergelijken met Geertgens ‘modernste’ werken. Op De geboorte bij nacht ligt Jezus in zijn kribbe, omringd door Jozef en Maria, os en ezel en vijf engelen. In de stal is het aardedonker, maar het bijzondere is dat Jezus zelf licht uitstraalt, zo veel dat hij alle toeschouwers in een zachtgele gloed zet – dit is Rembrandt avant la lettre.

Het allermooiste paneeltje op Vroege Nederlanders is Johannes de Doper in de wildernis. We zien Johannes zitten in een idyllisch groen landschap, weergegeven tot in de kleinste details: op de voorgrond bloeit een distel, even verderop snuffelen konijntjes aan een varen – op zich al opmerkelijk, omdat algemeen wordt aangenomen dat Johannes in deze fase van zijn leven in de woestijn woonde. Maar daar trekt deze Johannes zich niks van aan. De profeet staart somber voor zich uit; zijn gezicht leunt op zijn hand, zijn voeten wrijven verveeld over elkaar.

Het geheel zou naar 15de-eeuse maatstaven een bijna perfect realistisch tafereeltje zijn als naast Johannes geen lam met een stralenkrans om zijn kop lag – het lam Gods, de verbeelding van Jezus. Toch maakt juist dit lam het paneel zo levend: Geertgen bedoelde het ongetwijfeld vooral als Johannes’ attribuut, maar het beestje is net zo realistisch geschilderd als de vogels en de konijnen waardoor het een prachtige brug vormt tussen de goddelijke wereld en die van alledag. En daarmee ook tussen de wereld van toen en die van nu. Wie Johannes de Doper in de wildernis ziet, kan zich goed voorstellen dat mensen destijds hartstochtelijk in deze profeet geloofden, simpelweg omdat wij dat ook nog kunnen. Dat is de kracht van dit sublieme schilderij. Het beeld overstijgt de tijd met gemak.

Vroege Hollanders. T/m 25 mei in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Di t/m zo 11-17u. Catalogus, 352 blz. Prijs € 35,- Inf. www.boijmans.nl

    • Hans den Hartog Jager