Achter de Niagara van Viagra

De literaire reuzen Philip Roth en J.M. Coetzee publiceerden de afgelopen jaren beiden romans waarin een oudere man nog éénmaal een seksuele opleving beleeft. ‘Viagra Lit is dit nu net níet. Juist de onmogelijkheid van het verlangen staat centraal, fysiek, mentaal of literair.’

Bustes van Cato de Oudere (234-149 vC, zie ook pagina 6, bovenaan) en zijn achterkleindochter Portia (Porcia, eerste eeuw vC) Museo Pio Clementino, Vaticaanstad Museo Pio Clementino, Vaticaanstad

‘Voor een man van zijn leeftijd, tweeënvijftig, gescheiden, heeft hij het probleem van de seks naar zijn idee heel aardig opgelost’, zo opent J.M. Coetzee zijn veelbekroonde roman Disgrace (‘In ongenade’) – om vervolgens de rest van het boek te wijden aan het bewijzen van het tegendeel.

Voor schrijvers van een zekere leeftijd is seks een probleem dat opgelost dient te worden. Dat lijkt des te meer het geval wanneer seks altijd al een favoriet thema was – hoe favorieter het thema, hoe groter nu het probleem. Zo publiceerde Philip Roth de laatste jaren een compleet sub-oeuvre aan lichamelijke aftakelingsromans – tussen zijn politieke romans door – waarin een bejaarde mannelijke hoofdpersoon steevast pijnlijk met zijn sterfelijkheid wordt geconfronteerd dankzij een laatste bevlieging voor een veel te jonge, veelal onbereikbare vrouw. Ook Coetzee, toch een wat terughoudender en cerebraler schrijver dan Roth, publiceerde na Disgrace de romans Slow Man (‘Langzame man’) en Diary of a Bad Year (‘Dagboek van een slecht jaar’) waarin een vergelijkbare thematiek speelt.

Hoe proberen deze schrijvers, zwaargewichten van de wereldliteratuur, het ‘probleem van seks’ op te lossen? Hoe geven ze literair vorm aan dit ‘longing for the last great outburst of everything’, om Roths Everyman aan te halen?

In de eerste instantie is daar natuurlijk de directe aanleiding van het verlangen: een jonge vrouw, object van de obsessie van de mannelijke hoofdpersoon, eigenlijk om geen andere reden dan dat ze een jonge vrouw is. Dat neemt niet weg dat deze vrouw een aantal standaardkenmerken heeft. In de eerste plaats is ze fysiek opvallend aantrekkelijk. Roth besteedt vele alinea’s aan het beschrijven van de crèmekleurige zijden bloes van Consuela, de nemesis van David Kepesh uit The Dying Animal (‘Het stervend dier’). De Cubaanse Consuela kleedt zich intrigerend ouderwets, ‘als een aantrekkelijke secretaresse’, nooit in jeans maar wel bijvoorbeeld in een ‘elegante grijs flanellen broek met omslag’.

Coetzees verteller in Diary of a Bad Year, de schrijver ‘JC’, beschrijft uitvoerig het tomaatrode, veel te korte zomerjurkje dat zijn interesse wekt in de half-Filippijnse Anya, een interesse die een paar dagen later alleen maar versterkt wordt door haar ‘witte lange broek die met een achterwerk pronkte dat van een haast engelachtige volmaaktheid was.’ En Roths vaste alter ego Nathan Zuckerman, die een laatste maal ten tonele verschijnt in Exit Ghost (‘Exit geest’), raakt maar niet uitgekeken op het beige kasjmieren vest dat volgens hem boekdelen spreekt over het sensuele karakter van Jamie, de jonge schrijfster die allerlei lang-weggedrukte viriele gevoelens in hem loswoelt.

Het is uiteraard geen toeval dat de vertellers zo uitvoerig stil blijven staan bij de kleren van deze vrouwen – op de relatief jonge, 62-jarige Kepesh na slaagt geen van hen erin de vrouw ook uít de kleren te krijgen.

Verder zijn deze vrouwen zo niet dom, dan toch ook niet wezenlijk intelligent – wellicht met uitzondering van beginnend schrijfster Jamie, maar haar intellectuele capaciteiten spelen nauwelijks een rol. Illustratief voor de terloopse manier waarop de mannelijke vertellers hun eigen intellectuele superioriteit onderstrepen, is Kepesh’ beschrijving van Consuela als ‘iemand die verrukt is van de impressionisten, maar die lang en ingespannen – en altijd met een gevoel van knagende onmacht – naar een kubistisch schilderij van Picasso moet kijken en haar uiterste best moet doen om er iets van te begrijpen’. Anya uit Diary of a Bad Year, die schrijft in een ‘nogal schoolmeisjesachtige handschrift’, is een diplomatendochter, maar ‘wat voor garen ze bij die internationale opleiding heeft gesponnen is niet duidelijk.[...] Ze denkt dat Kyoto een foutieve spelling van Tokio is.’

Dit is bepaald geen gebrek, integendeel: deze vrouwen staan ‘heel dicht bij de natuur’, hebben een ‘semi-bewuste spontaniteit’ (Roth), en een ‘intuïtief gevoel’ voor de noden van de vertellers (Coetzee). Bovendien zijn ze zich maar al te bewust van het effect dat hun fysieke verschijningsvorm teweeg brengt. ‘Ze wist wat haar lichaam waard was. Ze wist wat ze was’, aldus Kepesh over Consuela. En, laten we eerlijk zijn, voor zover het aan deze vertellers ligt, is dat ook het enige wat een vrouw echt hoeft te weten.

Louter de fysieke aanwezigheid van deze vrouwen is al genoeg om in de hoofdpersonen van deze romans een ‘metafysische pijn’ los te maken, of misschien is die wel gewoon ‘postfysiek’, zoals Coetzees JC zichzelf corrigeert. Want in hoeverre, peinst deze aan Parkinson lijdende verteller, kan er eigenlijk sprake zijn van een obsessie ‘wanneer de seksuele drift is afgenomen en er slechts aarzelende onzekerheid bestaat over waar hij eigenlijk op uit is, wat hij eigenlijk verwacht dat het voorwerp van zijn bevlieging zal verschaffen’? Het is ook het grote dilemma voor Roth, die zijn aanvankelijk simpelweg wat oudere maar nog altijd behoorlijk macho vertellers allengs is gaan voorzien van steeds gênantere aandoeningen als incontinentie, impotentie en beginnende dementie, naast de gangbare gebreken van een sleets lichaam, hartaandoeningen en kankers.

Maar een uurtje in het gezelschap van een vrouw als Jamie blijkt voor de verteller van Exit Ghost al het effect te hebben dat ‘mijn viriliteit weer was opgewekt, mijn viriliteit van geest en gemoed en begeerte en bedoeling, zodat ik weer onder de mensen wilde zijn en weer wilde vechten en weer wilde vrijen en weer het genot van mijn kracht wilde voelen’.

Is het een wonder dat een criticus van The Guardian de hausse aan oudemannen-boeken weet aan de ‘Niagara of Viagra’ die sinds de jaren ’90 de bejaardendoelgroep heeft overspoeld? Het is beslist opmerkelijk hoeveel deze boeken van toch heel verschillende schrijvers met elkaar gemeen hebben – je zou haast kunnen spreken van een apart genre. Maar Viagra Lit is dit nu net niet. Juist de onmogelijkheid van het verlangen staat centraal: het onvermogen, of dit nu fysiek, mentaal of literair is. Zuckerman vervolgde zijn mijmeringen: ‘Alleen er is geen viriliteit. Er is alleen de kortstondigheid van de verwachting’.

Het ‘probleem van seks’ is voor schrijvers immers ook het probleem van de scheppingskracht, van afnemende literaire vermogens en creativiteit. De 71-jarige, hulpeloos incontinente Zuckerman ziet zijn ‘eens zo fiere voortplantingsorgaan’ nu als ‘een eindje pijp dat je ergens in een weiland uit de grond ziet steken, een zinloos stukje pijp waaruit zo nu en dan een straaltje water stroomt of spuit en dat maar water blijft spuien tot op een goede dag iemand eraan denkt de kraan die extra slag te geven die aan het gespetter een einde maakt.’ En het moet gezegd, Exit Ghost lijdt als roman enigszins onder hetzelfde euvel – het verhaal gaat alle kanten op, en mist de geconcentreerde impact die we van Roth zouden mogen verwachten.

Coetzee maakt de analogie op een parodiërende manier expliciet: ‘Hij houdt niet van typen’, merkt Anya op over JC, ‘hij knijpt liever in de pen om te voelen hoe de woorden er aan de andere kant uitkomen. Niets mooiers dan het gevoel van woorden die ter wereld komen, zegt hij, dat is genoeg om je te doen huiveren.’ Haar respons: ‘Zulke dingen mag u niet tegen eenlnet meisje zeggen, Señor.’

En hiermee zijn we aanbeland bij de kern van het probleem: hoe zouden al die jonge vrouwen uit deze oudemannenboeken nog iets anders kunnen zijn dan, op z’n best, tweedimensionale personages? Ze hebben tenslotte in de eerste plaats een belangrijke functie te vervullen als symbool van mannelijke viriliteit, macht en status, als laatste strohalm tegen de sterfelijkheid, en middel om wraak te nemen op de dood, want ‘seks is ook onze wraak op de dood’, zoals Kepesh weet. Wat deze vrouwen gemeen hebben is hoofdzakelijk de schrijversblik waarmee er naar ze wordt gekeken. En het feit dat deze schrijvers expliciet spelen met de beperktheid van hun blik, maakt die er nog niet scherper op.

Maar juist het onvermogen deze vrouwen werkelijk te zien voor wat ze zijn levert uiteindelijk de meest oprechte pathos op. Die komt het sterkst naar voren in The Dying Animal, dat zich zonder de slapstick van incontinentie en andere fysieke gebreken volledig kan richten op waar het werkelijk om gaat: seks en macht, de diepere betekenis van leeftijdsverschillen, en de uiteindelijk tragische consequenties van verteller Kepesh’ cynisch-vrijblijvende levenshouding.

Kepesh kan een vrouwenlichaam lezen als de beste, maar met een brief heeft hij al aanzienlijk meer moeite. Hij steekt lofredes af op de ‘heerlijke achterlijkheid van de lust’ en het ‘zuivere neuken’, hamert op het belang van zijn onafhankelijkheid, en raakt ondertussen tot over zijn oren verliefd op Consuela – de vrouw over wie hij zegt, ‘ik had me Consuela toch al nooit kunnen voorstellen’. Zijn allesverterende obsessie, jaloezie en afhankelijkheid druisen echter zozeer in tegen zijn zelfbeeld dat hij een punt zet achter de verhouding – een vergissing die de minder kieskeurige en wanhopiger zeventigers uit Roths latere oudemannenboeken nóóit zouden maken. Zijn blindheid voor wie Consuela is, en wat zij werkelijk voor hem betekent, zal Kepesh duur betalen – maar hoe had hij kunnen vermoeden dat, ‘er niets maar dan ook niets tot rust komt, hoe oud een man ook is?’

Zelfs Kepesh, de onverbeterlijke harteloze vrouwenversierder, en een van de weinige oude mannen uit het genre die ook daadwerkelijk de kans krijgen er iets van te maken, slaagt er niet beter dan zijn impotente evenknieën in om ‘het probleem van seks’ ook maar tot het begin van een oplossing te brengen.

J.M. Coetzee: Dagboek van een slecht jaar. Uit het Engels vertaald door Peter Bergsma. Cossee, 188. € 22,90 (geb.)Philip Roth: Het stervend dier. Uit het Amerikaans vertaald door Kees Kooman. De Bezige Bij, 188 blz. € 16,95.Philip Roth: Exit geest. Uit het Amerikaans vertaald door kees Kooman. De Bezige Bij, 286 blz. € 18,90.

Wilt u reageren? Mail naar boeken@nrc.nl

    • Corine Vloet