Zijn hoge stemmen dunner gezaaid dan lage stemmen?

Het Haagse Kloosterkerkkoor kampt met een tekort aan tenoren of hogere mannenstemmen, mailt hoge bas Frank Belt. „Zijn er minder tenoren dan baritons en bassen?”, vraagt hij. Ofwel: zijn hoge stemmen dunner gezaaid dan lage? „Ook bij vrouwen zie je vaak minder sopranen dan alten.”

Dirigent Rob Vermeulen van het Nederlands Concertkoor herkent het probleem. Onder zijn circa honderd geoefende amateurs zijn ook te weinig tenoren. Vermeulen: „Eén theorie is dat we steeds langer worden, terwijl tenoren vaak korte mannen met een korte nek zijn.”

Die theorie kan best eens kloppen. „Neem Bellini of Rossini”, zegt professor Harm Schutte van het Voice Research Lab van de Rijksuniversiteit Groningen. „Hun tenorpartijen worden meestal gezongen door korte Italianen met korte nekken.” Denk bijvoorbeeld aan Pavarotti.

Schutte weet alles van stembanden, die je overigens geen stembanden moet noemen, maar stemplooien. „Bij banden denk je aan snaren, maar het stemapparaat is veel complexer dan dat.” Voor de toonhoogte is behalve de bouw van de stemplooien – nog het best te vergelijken met spierballen – vooral bij mannen de lengte van het aanzetstuk, tussen het strottenhoofd en de lippen, van belang. „Het werkt als een stofzuigerslang”, vergelijkt Schutte, „hoe langer, hoe lager de toon.”

Stemmen in het middengebied van het spectrum komen meer voor dan de extremen, constateren Vermeulen en Schutte allebei. Ofwel: lage (mezzo-)sopranen, hoge alten, lage tenoren en hoge bassen zijn er meer dan hoge sopranen, lage alten, hoge tenoren en lage bassen. „Maar dat wisten we honderd jaar geleden ook al”, zegt Schutte. „Vergelijk het met de verdeling van lichaamslengten onder de bevolking. De gemiddelde lengte komt het meeste voor.”

Oefening baart kunst. Tenminste, een beetje. Een niet-geoefende lage sopraan kan best een volledige sopraanpartij léren zingen. Vermeulen: „Maar een duurloper wordt nooit een sprinter of andersom.”

Thalia Verkade