Wie schiet er nu vol van onze Grondwet?

De Grondwet leeft niet onder burgers, stelde minister Ter Horst (nrc.next, 28 februari).

Wie gelooft er ook in een wezenloos stuk dat niet eens door de staat wordt toegepast?

Volgens minister Guusje ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) mist onze Grondwet bezielende werking door zijn fletse taal. Dat zei ze in haar voordracht op het symposium ‘De Onzichtbare Grondwet’ van 28 februari (ingekort afgedrukt in nrc.next). Door de tekst op te poetsen en het geheel voorzien van een inspirerende preambule zou onze constitutie de opvoedende en bindende kracht moeten krijgen die hem toekomt, stelde zij.

Ontegenzeggelijk kan de formulering van de Grondwettekst veel beter. Neem het meest grondwettige artikel, nummer 1: „Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” Dit is een amechtig makende zin, die dan ook vele meters beslaat op het Monument van de Grondwet aan de Haagse Hofweg. Waarom staat daar niet gewoon „Iedereen in Nederland is gelijk.” Of is die tekst in zijn gewoonheid te flets?

Hoeveel raker is Artikel 3.1 van het Grundgesetz der Bundesrepublik Deutschland: „Alle Menschen sind vor dem Gesetz gleich.” Gelijkheid voor de wet, daar gaat het de rechtsstaat immers om. De wollige Nederlandse tekst daarentegen suggereert een algehele maatschappelijke gelijkschakeling. De beperkende bijzin „die zich in Nederland bevinden” maakt artikel 1 potsierlijk: zou iemand kunnen denken dat de Nederlandse grondwet voor Antarctica geldt? En de toevoeging roept onnodige vragen op: ben ik in Nederlands vliegtuig ook gelijk?

Maar het voornaamste manco van de Grondwet is de inwendige tegenspraak. Nadat artikel 1 de gelijkheid heeft vastgelegd, specificeert artikel 3 ten overvloede dat iedere Nederlander tot elk staatsambt beroepbaar is. Prachtig, maar vervolgens leggen talrijke artikelen omstandig uit dat mensen met de achternaam Van Oranje Nassau nu weer net niet gelijk zijn en dat het ambt van staatshoofd slechts voor leden van die familie openstaat.

Welke inspiratie kan er uitgaan van een grondwet die niet uit zijn eigen principes komt?

Dan is er nog de vreemde situatie dat Nederlandse rechters hun beslissingen toetsen aan het recht van de Europese Unie en het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens, zolang ze dat niet aan de eigen Nederlandse Grondwet mogen doen. Er is een wetsvoorstel in behandeling die die toetsing eindelijk mogelijk gaat maken.

Maar van het recht van individuele burgers om de Nederlandse staat te dwingen zijn eigen Grondwet toe te passen, is geen sprake. In echte rechtstaten is dat een vanzelfsprekend grondrecht. Nu hebben we het absurde schouwspel dat Nederlandse burgers in jarenlange procedures via Luxemburg of Straatsburg hun eigen staat dwingen zijn eigen grondwet toe te passen. Wie kan er dan geloven in de betekenis van de Nederlandse Grondwet?

Nederland is door de geschiedenis overgeslagen. Het heeft een sanerende revolutie gemist die andere landen heeft afgeholpen van middeleeuwse instituties als de Raad van State, tegelijk rechtscollege en adviesorgaan van de regering. Ons land heeft geen basiswet die naar vorm én functie een grondwet mag heten. Het is een gotspe om dan te verwachten dat het gemoed van burger volschiet bij zo’n wezenloos stuk.

Anton van Hooff is classicus te Nijmegen en lid van het Republikeins Genootschap.

    • Anton van Hooff