‘Wat de Kosovaren kunnen kunnen wij ook’

Kosovo onafhankelijk? Dan wij ook”, zeggen veel Serviërs in Bosnië. Het blijft vooralsnog bij woorden. „Dreigen met afscheiding is een reflex van zelfverdediging.”

Politieagenten vormen een haag rond het Amerikaanse consulaat in Banja Luka, de hoofdstad van de Servische Republiek in Bosnië. Prikkeldraad is uitgerold op de muren rond de villa. „Camera uit en wegwezen”, bast een agent.

In de dagen na de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo, op 17 februari, gingen er stenen door de ruiten van het consulaat. Net als in Servië was onder de Serviërs in Bosnië de woede groot. „Kosovo is het huis van de Serviërs”, zegt geschiedenisstudente Jovana Kecman op de campus van Banja Luka’s universiteit. „De Albanezen in Kosovo beroven ons van onze identiteit.”

Voor het consulaat van de VS, die Kosovo’s onafhankelijkheid al snel erkenden, kwam het tot gevechten tussen politie en betogers die opriepen tot ‘een onafhankelijke Servische Republiek’. „Wat de Kosovaren kunnen, kunnen wij ook”, zegt economiestudent Nikola Petrovic. Een aanplakbiljet bij de ingang van zijn faculteit roept studenten op tot nieuwe acties. Petrovic: „Ik zie geen bezwaar tegen nóg een nieuw land erbij. Onze republiek is niet veel kleiner dan Kosovo of Luxemburg.”

Met het Dayton-vredesakkoord in 1995, dat een einde maakte aan de oorlog in Bosnië, werd Bosnië bestuurlijk opgedeeld in een moslim-Kroatische federatie en een Servische Republiek waarvan de regering zetelt in Banja Luka. Beide entiteiten hebben vergaande politieke autonomie, maar staan onder toezicht van de internationale Bosnië-bestuurder, tegenwoordig de Slowaak Miroslav Lajcák. De internationale gemeenschap wil het zwakke centrale gezag in Sarajevo versterken ten koste van de bevoegdheden van de twee entiteiten. Sommige leiders van de moslims gaat dat niet ver genoeg: hun populairste leider, Haris Silajdzic wil de entiteiten zelfs geheel opheffen.

Door zijn tegenstrevers in Banja Luka kon dat maar op één manier worden uitgelegd: de moslims willen de volledige macht, ten koste van de Servische Republiek. Milorad Dodik, premier van de Servische Republiek, gooide olie op het vuur met dreigementen over mogelijke afscheiding.

„Dit gepingpong duurt nu al jaren”, zegt Zeljko Kopanja, hoofdredacteur van het Bosnische dagblad Nezavisne Novine. „Het is een politiek spel. Iedere keer als de Serviërs zich in de verdrukking wanen, dreigen ze met afscheiding.”

In 1995 richtte Kopanja zijn krant op waarin hij vanaf dag één schreef over oorlogsmisdaden begaan door Serviërs. Het werd Kopanja, zelf een Serviër, niet in dank afgenomen. In oktober 1999 raakte hij in Banja Luka zwaargewond bij een aanslag. „Ik startte de motor en drie seconden later ontplofte een granaat. In het ziekenhuis verklaarden ze me eerst klinisch dood, maar ze hebben me toch nog opgelapt.” Kopanja verloor beide benen. „Over de daders waakt God. Ik ken geen wraakgevoelens,” zegt Kopanja.

Hij begrijpt de woede onder Serviërs over Kosovo’s onafhankelijkheid. „Het is een vernedering, zonder twijfel. Maar ik zie tegelijk dat de ratio de overhand heeft. Ik prijs de manier waarop premier Dodik tot kalmte oproept. Bij onderhandelingen in Brussel heeft Dodiks regering zich opnieuw geschaard achter ‘Dayton’.”

Toch sprak Dodik zich de laatste tijd herhaaldelijk uit over een referendum over de onafhankelijkheid. Maar dat is slechts een „strategische flirt”, zegt Kopanja. „Je moet het zien als een waarschuwing aan politici in Sarajevo: ‘Kijk uit, wij laten hier niet over ons heen lopen’. Dreigen met afscheiding is een reflex van zelfverdediging.”

Dodik wordt ten onrechte afgeschilderd als een Servische nationalist, vindt Dominic Robinson van het internationale adviesbureau Hill & Knowlton. Hij is door de regering van de Servische Republiek ingehuurd om het imago op te poetsen. „Wegens de oorlogen in de jaren negentig kunnen Serviërs in de regio weinig goed doen”, zegt Robinson. „En daar maken de moslims in Sarajevo handig gebruik van. Zij bespelen de internationale bestuurders, terwijl het juist Sarajevo is dat de Servische Republiek provoceert en daarmee het voortbestaan van Bosnië op het spel zet.”

Initiatiefnemer van de eerdere betogingen in Banja Luka is Branislav Dukic. Dukic, een vijftiger in leren jack: „Als we morgen een referendum voor onafhankelijkheid organiseren winnen we met minimaal 80 procent.” Mocht dat tot nieuw geweld in Bosnië leiden, dan zijn „de moslims in Sarajevo schuldig”. Dukic: „Zij willen in Bosnië een islamitische staat stichten en onze republiek kapot maken. De geestelijke leiders van de moslimgemeenschap in Sarajevo mengen zich steeds meer in de politiek. Ze laten geen gelegenheid voorbij gaan om de Servische Republiek te kleineren.”

Op de redactie van Nezavisne wijst Zeljko Kopanja op de foto van zijn drie kinderen. Twee puberende jongens en een meisje van zeven. Zijn dochter is het „laatste grote cadeau” dat hij kreeg, een jaar na de aanslag. „Ik ben een optimist. Ik wens mijn kinderen toe op te groeien in een vredig Bosnië waar moslims, Kroaten en Serviërs samenleven.” Iemand als Dukic vertegenwoordigt volgens Kopanja „de onderbuik”. De meeste Bosnische Serviërs zijn volgens hem pragmatisch. „De economie trekt aan, mensen hebben hypotheken, ze bekommeren zich eerder om hun baan en gezin.” Sarajevo is nu aan zet, zegt Kopanja. „Politici daar moeten respect voor de Servische Republiek tonen. Alleen dan heeft Bosnië kans van slagen.”