Ranzig, chaotisch en avontuurlijk

Elke maand een stedentrip. Vandaag: Istanbul.

Istanbul modern? Verwacht geen tweede Rome of Parijs, maar een stad van extremen. En een fanatieke handelsgeest.

Laat je niet afschrikken door de vaak grauwige gebouwen, binnenin blijken het pareltjes. Foto’s: AFP / Reuters Tourists take pictures in front of the early 17th century Ottoman era Blue Mosque (Sultanahmet) in snow-covered Istanbul February 17, 2008. REUTERS/Fatih Saribas (TURKEY) REUTERS

In een witte auto – althans, ooit was de auto waarschijnlijk wit – worden mijn vriend en ik door iemand van het hotel opgehaald van vliegveld Atatürk. Een half uur rijden we over wegen zonder wegmarkering langs hoge flats met talloze schotels. Rechts liggen kilometers lang grote olietankers te wachten tot ze de Zee van Marmara mogen verlaten door de smalle Bosporus.

Ook ín de auto is het wat viezig en mijn broek zit onder de stofvlekken. Het is een graad of vijf, de lucht grijs en we lopen van het hotel naar de Blauwe Moskee en de Aya Sofya. We proberen van het uitzicht te genieten, de stad in ons op te nemen. Maar telkens als we opkijken, komt er iemand toegesneld om iets te verkopen. De geur van gepofte kastanjes is misselijkmakend en van de voorbij racende en toeterende taxi’s (een teken dat ze plaats hebben) worden we wat prikkelbaar. Dan klinkt ook nog voor de vijfde keer deze dag het, in onze oren ietwat valse, gezang van de imams die de moslims oproepen tot het gebed.

Istanbul modern? Tja, wat is modern. Verwacht geen tweede Rome of Parijs. Anders dan in deze West-Europese steden kun je in Istanbul moeilijker opgaan in de massa, omdat je uiterlijk verraadt dat je van buiten de grenzen komt. En Istanbul is meer een stad van extremen: waar in de ene wijk Engels de tweede taal is, spreekt in de andere wijk nagenoeg iedereen alleen Turks; waar in de ene buurt iedereen Turkse thee drinkt, drinken de mensen in de andere buurt voornamelijk Amerikaanse koffie en waar in de ene straat het gros van de vrouwen een hoofddoek heeft, draagt in de andere straat bijna niemand er een.

Het zijn deze extremen, deze tegenstellingen, die de stad tot een bijzondere belevenis maken. Het is ranzig, chaotisch, maar Istanbul is ook avontuur. Een erg leuk en interessant avontuur, beseffen we als we over de eerste verbijstering heen zijn.

Bijna zestien eeuwen lang was Istanbul de hoofdstad van verschillende grote rijken. Er valt daarom ongelooflijk veel te zien in deze stad met ruim 11 miljoen inwoners. Laat je niet afschrikken door de vaak grauwige gebouwen, binnenin blijken het pareltjes.

Neem het Topkapipaleis. Trek minimaal twee uur uit om dit oude verblijf van de sultans te bezichtigen – zo groot is het. Mehmet de Veroveraar begon met de bouw vlak na de inname van Constantinopel in 1453. Tot in de negentiende eeuw was dit de woonplaats van de sultans. Die vertrokken later naar het Dolmabahçepaleis, omdat het Topkapipaleis – qua opzet gebaseerd op tentenkampen van nomadische Osmanen – niet ‘modern’ genoeg meer was. Islamitische toeristen scharen zich massaal in het Paviljoen van de Heilige Mantel, waar een mantel en baardharen van profeet Mohammed worden getoond. Ga zeker naar de harem van het paleis. Goed, het kost nog eens 10 lira (5,60 euro) om het verblijf te zien waar de vrouwen, concubines en kinderen woonden, maar dat is het waard. Via marmeren gangen loop je de ene prachtig versierde kamer na de andere in.

Of neem het ondergrondse waterreservoir Basilicacisterne, gebouwd in de zesde eeuw. Door de lampen die vanuit het ondiepe water (met vissen) de tientallen zuilen vanonder beschijnen, krijgt de immense ruimte een romantische, haast sprookjesachtige sfeer. Dat wordt versterkt door Eftelingmuziek die op de achtergrond klinkt.

Het Dolmabahçepaleis, waar de eerste president van Turkije, Atatürk, in 1938 overleed, is vooral interessant om te zien wanneer je het vergelijkt met het Topkapipaleis. Je komt er het makkelijkst met de tram, een mooi en simpel (elke rit kost 1,20 lira) vervoersmiddel. Het paleis, volledig op Europese wijze gebouwd, doet denken aan Versailles. De omgeving maakt het nog interessanter. In dit gebied, ten noorden van de Gouden Hoorn, ligt namelijk de wijk Beyoglu, de Europese wijk van Istanbul. Na vanaf de Galatabrug almaar te hebben geklommen, kom je aan in een autovrije winkelstraat (Istiklâl Caddesi) die niet onderdoet voor een Romeinse of Parijse winkelstraat. Op straat hip uitziende jonge Turken, schone paden en nauwelijks straatverkopers. Het verschil met de ‘oude’ wijk Sultanahmet, waar minaretten het straatbeeld bepalen, kan bijna niet groter.

Een belevenis apart zijn de Turken zelf. „Friend, let me help you spend your money”, roepen ze je toe. Ze lijken met een handelsgeest geboren. Verkopers van loten en rozen komen regelmatig aan je tafel in het restaurant. En op straat kun je werkelijk alles kopen, van zakdoekjes tot scheermesjes. Het summum: tegen betaling je toekomst laten voorspellen door een albinokonijn.

Turken zijn erg gastvrij en vriendelijk. In een busje komen ze je ophalen als je bij hun restaurant gaat eten. Het hotelpersoneel fungeert als persoonlijk reisbureau. En ook al willen Turken graag van alles verhandelen, opdringerig of fysiek zijn ze niet. Integendeel. Met vier kopjes appelthee, een persoonlijk verhaal over kinderen en arbeidsverleden, hangen ze je in verschillende lederen jasjes. Ben je eenmaal in deze fase beland, dan wacht er een boeiend onderhandelingsproces, waarbij je laag moet inzetten. Nergens staan prijskaartjes op. Alles is onderhandelbaar.

Het is op dag twee van onze vierdaagse trip dat we de stad leren waarderen. Overdag genieten we van een wijntje op een verlaten dek (het is laagseizoen) tijdens onze boottocht over de Bosporus, ’s avonds eten we in een van de vele visrestaurantjes in de wijk Kumkapi. In het restaurant enkel Turkse gasten en vier muzikanten. Als de raki rijkelijk vloeit, zingt het hele restaurant de Turkse levensliederen uit volle borst mee.

De volgende ochtend schallen de gebedsoproepen van de imams ons om 7 uur wakker. Het klinkt al lang zo vals niet meer. Eén van ons oppert zelfs dat het best een goed idee zou zijn wekkers met dit geluid te verkopen. De Turkse handelsgeest heeft ons te pakken. Net als de stad.