Nationalisme in rood gekleed

Toen Den Uyl eind 1987 overleed, bracht deze krant dit nieuws natuurlijk op de voorpagina, maar daarnaast werden er, verspreid over andere pagina’s, ook vele kolommen aan hem gewijd. Ik vond dit toen een beetje veel van het goede voor iemand die slechts vier jaar een kabinet had geleid dat, alles bijeen, niet zo heel veel had gepresteerd.

Het jaar daarna zou Drees komen te overlijden. Hij was tien jaar minister-president geweest, en had meer tot stand gebracht, maar moest het in de krant met veel minder doen. En je kunt er donder op zeggen dat Lubbers, die twaalf jaar premier was, te zijner tijd niet drie keer zoveel aandacht zal krijgen als Den Uyl. Was er bij Den Uyls herdenking sprake van self-embedded journalism?

Maar wie ben ik om daar opmerkingen over te maken, nu ik, na mijn artikel van 28 februari, met een tweede artikel over Den Uyl kom? In dat artikel noemde ik Den Uyl „meer inspirator dan leider”, en hij is voor vele PvdA’ers nog steeds een inspirator. Dit verschijnsel verdient aandacht. In Opinio van 29 februari zegt zijn partijgenoot Arie van der Zwan dat Den Uyl de enige naoorlogse leider was die in de ‘rode droom’ geloofde, maar dat hij een arbeidsloos inkomen van uitkeringsgerechtigden accepteerde zonder hen aan hun plichten te herinneren – wat hij bijv. van renteniers niet accepteerde – noemt hij een van zijn „weinige fouten”.

Als een andere fout moet toch ook zijn onderwijspolitiek gemarkeerd worden, in zoverre als die, zoals Van der Zwan zegt, „helaas in de middenschool is uitgemond”. Met die misère zitten we tot op de dag van vandaag en, naar het zich laat aanzien, nog veel langer – hoewel voorgaande kabinetten waarin de PvdA niet vertegenwoordigd was, evenmin zonder verantwoordelijkheid daarvoor zijn.

Maar hier wil ik me voornamelijk bezighouden met Den Uyl als internationale politicus. Dat mag immers wel, want de PvdA beroemt zich erop een bij uitstek internationalistische partij te zijn. Welnu, wat bleek daarvan onder het kabinet-Den Uyl? De Leidse historicus Henk te Velde noemt Den Uyl in de Volkskrant „een wel heel nationale politicus, die erg veel binnen de landsgrenzen dacht te kunnen oplossen”.

Dit merkt Anet Bleich in haar zojuist verschenen biografie van Den Uyl niet op, zegt hij. Dezelfde kritiek uit Rob Hartmans in zijn bespreking van dit boek in De Groene. Zij raken hier een punt dat niet alleen de persoon Den Uyl aangaat, maar de hele sociaal-democratie of, als u wilt, het socialisme als zodanig: het kan zich, als het tenminste binnen de perken van de democratie blijft, alleen nationaal manifesteren (behalve in optochten en frases).

Het socialisme immers aarzelt niet gebruik te maken van de middelen die de nationale staat ter beschikking staan, om zijn doelen te verwezenlijken. Wanneer het ergens aan de macht komt, zal het de middelen van die staat gebruiken, ongeacht of dat andere staten, in de eerste plaats de naburige, past – ook wanneer daar toevallig eveneens socialisten aan de macht zijn.

Dit dilemma heeft Max Kohnstamm al heel vroeg ingezien, toen hij in 1950 schreef: „De keus voor een geperfectioneerd dirigisme brengt onverbiddelijk mee de keus tegen het inslaan van de enige weg die Europa economisch gezond kan maken en – misschien nog belangrijker – tegen het enig politieke ideaal dat West-Europa bezieling geven kan.”

Het is dan ook geen wonder dat de socialist Den Uyl gereserveerd stond tegenover het Europese eenheidsstreven, dat een poging is om, althans in Europa, een vorm van internationalisme tot stand te brengen. In grote trekken aanvaardde hij dat streven wel, maar hij wilde niet dat dit hem, wanneer hij eenmaal in Nederland aan de macht zou zijn gekomen, de handen zou binden.

En inderdaad zei Keerpunt ‘72, het programma van de progressieve partijen die het jaar daarna het kabinet-Den Uyl zouden vormen: „Het streven naar een grotere eenheid van Europa (...) dient ondergeschikt te zijn aan de verwezenlijking van een progressief beleid.” Dit laatste ging dus voor. Wat is het verschil met het verafschuwde ‘eigen volk eerst’?

En inderdaad zei Den Uyl, net minister-president geworden, in oktober 1973 dat „de vraag wat voor soort samenleving wij in de Europese Gemeenschap tot stand willen brengen, belangrijker is dan het tempo waarin het proces van Europese eenwording zich voltrekt”. Een paar maanden later zou Ed van Thijn in een 1-meirede deze prioriteit aldus formulieren: dat het niet om Europa wegens Europa gaat, maar om de vraag of in Europa socialistische politiek kan worden gevoerd.

Dit betekende een breuk met het verleden, in zoverre als de partijen, ook de PvdA, tot dan aan toe inwilliging van hun interne beleidswensen niet tot voorwaarde voor hun meewerken aan de institutionele opbouw van Europa hadden gemaakt, zoals Norbert Schmelzer, een van de christen-democratische voormannen, al dadelijk opmerkte in een artikel in de Internationale Spectator.

Maar ook niet alle sociaal-democraten waren gelukkig met deze koersverandering. Henk Vredeling, minister van Defensie in Den Uyls kabinet, noemde in een berucht interview met Vrij Nederland zijn minister-president de grootste nationalist die er was. En in zekere zin had hij gelijk, al ging Den Uyls nationalisme niet in oranje, maar in rood gekleed.

Onder Den Uyl waren de betrekkingen met Europa’s grootste sociaal-democratische partij, de Duitse SPD, dan ook ronduit slecht. De PvdA leek meer sympathie voor de Oost-Duitse SED te hebben. Zelfs de welwillende Willy Brandt werd geërgerd door de voortdurende kritiek die zijn Nederlandse partijgenoten op de zgn. Berufsverbote hadden. Helmut Schmidt, minder welwillend, ging vaak ostentatief de krant lezen wanneer op internationale vergaderingen Den Uyl breedvoerig aan het woord was.

Het praktische internationalisme van Den Uyl stelde dus niet veel voor. Het uitte zich bij hem meer in sympathie voor de derde wereld dan voor Nederlands directe omgeving, meer voor Pronk dus dan voor Van der Stoel. Maar de verhouding tussen ons en de derde wereld is er een tussen gever en ontvanger, een fundamenteel ongelijke verhouding. Dat klopt dus ook niet met het socialistische ideaal. Als socialisten de Internationale zingen, zingen ze dan ook iets wat ze niet in praktijk brengen en waarin ze misschien zelfs niet eens geloven. Den Uyls gebrom daarbij was in zekere zin symbolisch.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/heldring (Reacties worden pas openbaar na beoordeling door de redactie).