Leven van ‘pionierduikers’ verwoest

Noorse diepzeeduikers doken, op zoek naar olie, tot 500 meter diep, zonder dat bekend was dat hier grote gezondheidsrisico’s aan kleefden. Het geding dat ze hierover al 20 jaar voeren, nadert zijn hoogtepunt.

Honderen duikers werden in de jaren zestig en zeventig ingezet bij de zoektocht naar olie voor de Noorse kust, onder meer bij het aanbrengen van technische installaties, zoals afsluiters. Foto’s Norsk Oljemuseum Norsk Oljemuseum

Bijna dertig voormalige Noorse diepzeeduikers wier gezondheid ernstig is aangetast door hun werk voor de olie-industrie, zijn een proces begonnen tegen de Noorse staat. Als de rechtbank in Oslo hun eisen honoreert, kan de Noorse regering claims voor schadevergoeding van honderden duikers verwachten ter waarde van honderden miljoenen euro’s.

Het proces, het grootste sinds jaren in Noorwegen, is de voorlopige apotheose in de jarenlange strijd van de Noorse diepzeeduikers, die in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een belangrijke rol speelden bij de exploratie en exploitatie van olie- en gasvoorraden op het Noorse continentale plat van de Noordzee.

Premier Jens Stoltenberg, oud-premier Gro Harlem Brundtland en een ex-minister van Oliezaken zullen als getuigen worden gehoord in het proces over deze zwarte bladzijde in de historie van de olie- en gasexploitatie die Noorwegen de op twee na grootste olie-exporteur ter wereld en een van de rijkste landen van Europa maakte.

De duikers, die op grote diepten – soms tot 500 meter – in de Noordzee opereerden, stellen dat de Noorse staat geen enkele maatregel trof om de risico’s voor hun veiligheid en gezondheid te beperken. Noorwegen schond daarmee het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus de aanklacht van de North Sea Divers Alliance (NSDA), de vereniging van Noorse ex-Noordzeeduikers. De Noorse regering erkende enkele jaren geleden dat de staat „politiek en moreel” verantwoordelijk is, maar wees wettelijke aansprakelijkheid af.

De circa 150 bij de NSDA aangesloten ex-duikers strijden al bijna twintig jaar voor financiële compensatie voor aantasting van hun gezondheid omdat ze „als proefkonijnen werden gebruikt”. Hun advocaat, Marius Reikeras, legde bij het begin van het proces in Oslo een dossier van circa 10.000 pagina’s over, bestaande uit talloze medische onderzoeken en rapporten, onder meer van een parlementaire commissie, over de extreme omstandigheden waaronder de duikers werkten.

Honderden duikers uit Noorwegen en andere landen opereerden onder moeilijke en vaak gevaarlijke omstandigheden toen eind jaren zestig de zoektocht naar olie in de Noordzee begon. Ze werden ingezet om technische installaties, zoals afsluiters, aan te brengen en te onderhouden. Er bestond destijds geen ervaring met duiken op grote diepten in het ijskoude zeewater, primitieve duikerspakken boden nauwelijks bescherming en werktijden waren vaak extreem lang onder druk van managers van oliemaatschappijen die snel resultaten wilden boeken. De gezondheidsrisico’s van diep duiken waren onbekend of werden onderschat.

Talloze duikers kregen, soms al na enkele jaren werken, ernstige fysieke en psychologische klachten, zoals depressies, posttraumatisch stresssyndroom, chronische pijnen (vaak werden ze te snel naar boven gehaald, waardoor ze caissonziekte kregen) en beschadiging van longen en hersenen. Tientallen huwelijken liepen op de klippen. Volgens de NSDA pleegden tachtig Noorse ex-duikers zelfmoord. Vele tientallen Noorse ‘pionierduikers’ – zoals ze zich ook noemen – leven al twintig of dertig jaar lang van een uitkering. „Wij claimen schadevergoeding, omdat ons leven werd vernietigd. Ik heb vijftien jaar niet kunnen werken”, zei Tom Engh, een voorman van de NSDA, bij het begin van het proces.

Volgens de aanklacht van de duikers duurde het tot 2002 voordat de Noorse autoriteiten een veiligheidslimiet – 180 meter – stelden aan diepzeeduiken. Voordien accepteerde het Noorse Petroleumdirectoraat dat de olie-exploitatie op het Noorse plat regelt en controleert, 430 meter diepte als maximum. In de jaren zeventig gold in Noorwegen geen enkele limiet en er werden evenmin speciale eisen aan diepzeeduikers gesteld. De invoering van een maximumdiepte in 2002 was mede een gevolg van een onderzoek in 2001 door een commissie van deskundigen in opdracht van het Noorse parlement.

De commissie stelde vast dat de Noorse staat door opeising van de soevereiniteit over het Noorse continentale plat een „zwaarwegende verantwoordelijkheid” heeft voor de gang van zaken bij de olie- en gaswinning aldaar. Noorwegen stort de inkomsten van de olie- en gasexploitatie al vele jaren lang in een fonds. Dit staatsinvesteringsfonds omvatte vorig jaar ruim 2.000 miljard Noorse kroon, circa 255 miljard euro. Uitkering van schadevergoedingen aan de ex-Noordzeeduikers ten laste van dit fonds wees de Noorse regering in 2003 om juridische redenen af.

Mede onder invloed van de Noorse publieke opinie die de zaak van de ex-diepzeeduikers van harte steunt, stemde het Noorse parlement in 2004 in met een schadevergoeding voor ex-duikers tot maximaal 2,7 miljoen kroon (342.000 euro) per persoon, bovenop eerder toegekende compensatiebedragen tot een maximum van 500.000 kroon (63.650 euro). Maar deze regeling gold alleen voor tweehonderd Noorse duikers die in de jaren zeventig aan bepaalde verplichtingen hadden voldaan. De NSDA, die (ex-)buitenlanders onder zijn leden telt, wees de regeling als onvoldoende af.

Een Noorse rechtbank kende vier Noorse ex-duikers vorig jaar augustus na een ander proces ieder een schadevergoeding van circa 10 miljoen Noorse kroon (bijna 1,3 miljoen euro) toe. De staat ging in hoger beroep. Deze zaak is gevoegd bij het proces dat de 24 NSDA-duikers eind januari in Oslo begonnen. De Noorse regering gaat er nu vanuit dat 330 ex-Noordzeeduikers, zowel Noren als duikers uit andere landen, aanspraak kunnen maken op schadevergoeding.

Verwacht wordt dat de toegekende schadevergoeding van tien miljoen kroon per persoon in hoger beroep zal worden bevestigd. De totale rekening voor de Noorse staat kan dus op 3,3 miljard kroon (421 miljoen euro) uitkomen. Waarschijnlijk gaat Noorwegen opnieuw in beroep als de uitspraak in het NSDA-proces, die in mei wordt verwacht, nadelig uitpakt voor de staat. Voor de NSDA-duikers betekent dat dan nog eens ruim een jaar wachten op een definitieve uitspraak.

    • Jan Gerritsen