Krijgsmacht wil in 2020 niet meer met de pet rond

Telkens als er een buitenlandse militaire missie is, moet de minister van Defensie om geld vragen bij zijn collega’s. Daar wil hij van af.

De Nederlandse krijgsmacht anno 2020: actief in vredesoperaties in het buitenland, actief in eigen land nu het gebied van Leiden tot Delft onder water staat, alert ook in eigen land omdat een cyberaanval gaande lijkt. Commandant der strijdkrachten Fatima Agrib geeft commentaar op de situatie.

Voor het ministerie van Defensie is het geen vraag of Nederlandse militairen over twaalf jaar nog wel iets te doen hebben. Meer dan voldoende, getuige het fictieve journaal uit 2020 dat gisteren als ‘appetizer’ voor een debat over de toekomst van de krijgsmacht werd vertoond.

De tijd van bezuinigen is voorbij. Hogere uitgaven voor Defensie, in plaats van altijd maar lagere. Daar moeten Nederlanders aan wennen. Aldus de boodschap van minister Eimert van Middelkoop (Defensie, ChristenUnie) op de bijeenkomst in de Rijksacademie voor Financiën en Economie in Den Haag. Op die voor militairen niet alledaagse plek werd het startschot gegeven voor een studie naar de betaalbaarheid van de krijgsmacht in de toekomst. Met de nadruk op toekomst. De politiek gevoelige discussie mag vooral de huidige coalitie niet belasten. Dus verschijnt het eindrapport van de uit ambtenaren van vijf departementen bestaande commissie pas in het najaar van 2009, als de begrotingsbesprekingen voor 2010, het laatste échte jaar van dit kabinet, achter de rug zijn.

Dit najaar besloot het kabinet tot ‘Strategische Verkenningen’ bij Defensie. Ze moeten de vraag beantwoorden of alles waar Nederland zijn krijgsmacht voor wil inzetten ook te betalen is. Defensie wil af van het gevoel dat elke operatie vooraf gegaan dient te worden door een financiële strooptocht. Bij veel andere ministeries is het verwachtingspatroon andersom. Daar wil men af van het eeuwige hand ophouden door de minister van Defensie.

Vandaar de breed samengestelde commissie die met de blik op 2020 moet zeggen hoe „ambitieniveau en financiële middelen met elkaar in evenwicht kunnen blijven”. Zodat duidelijk wordt wat de krijgsmacht aankan. „We moeten af van de eendimensionale discussie over de hoeveelheid geld. Het gaat erom wat we willen”, zei de op de bijeenkomst aanwezige vicepremier en minister van Financiën Wouter Bos (PvdA).

Behalve Defensie zijn de ministeries van Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, Financiën en Justitie vertegenwoordigd. Bovendien staat het elke minister vrij een bijdrage te leveren. Om te voorkomen dat de studie in een departementale stammenstrijd ontaardt, krijgt de commissie een „klankbordgroep” onder leiding van oud-minister Gerrit Zalm (Financiën, VVD) die gevraagd en ongevraagd advies kan geven. In de groep zitten verder oud-militairen, zoals de generaals Frank van Kappen en Marcel Urlings, en deskundigen zoals de hoogleraren Ko Colijn en oud-redacteur Ben Knapen van NRC Handelsblad.

De hoop bij Defensie is dat toekomstige missies niet meer ten koste gaan van het apparaat van de krijgsmacht, zoals bij de operatie in Uruzgan. „Kannibalisering van materieel”, noemt Kamerlid Raymond Knops (CDA) dit. Voor hem staat vast dat de Verkenningen leiden tot hogere Defensieuitgaven.

Maar voor de PvdA is dat geen uitgemaakte zaak. De partij presenteerde vorig jaar een notitie met als conclusie dat met minder materieel en betere internationale samenwerking Defensie met hetzelfde geld toe kan – zonder dat de inzetbaarheid gevaar loopt.

Of de toekomstverkenningen een uitkomst bieden in dit dispuut valt te betwijfelen. „Het zullen uiteindelijk altijd politieke keuzes blijven”, zei Zalm gisteren.