Kind met drie genetische ouders is niet verwerpelijk

De Embryowet schiet bij nieuwe ontwikkelingen tekort. Aanpassing is nodig, maar ga dan niet uit van fabeltjes, betogen Annelien Bredenoord en Guido de Wert.

Onlangs berichtten de media wereldwijd dat aan de universiteit van Newcastle ‘menselijke embryo’s met drie ouders’ zijn gekweekt. Tegenstanders waren er als de kippen bij om hun afkeer te betuigen. Vooral in de Duitse en Engelse pers ontstond veel commotie. Zijn we inderdaad een stap dichter bij een ‘designer baby’?

In Newcastle wordt onderzoek gedaan naar mitochondriale ziekten. Mitochondriën zijn organellen (kleine orgaantjes) in de cel die voor de energiehuishouding zorgdragen. Ze beschikken over eigen DNA, naast het DNA in de celkern. In vergelijking met het DNA in de kern stelt het mitochondriaal DNA niet veel voor: minder dan 0,5 procent.

Fouten in het mitochondriale DNA leiden tot erfelijke ziekten die via de moeder overerven. Het gaat om spierziekten, leveraandoeningen en mentale retardatie. Vaak overlijden patiënten al op jonge leeftijd. Een adequate behandeling van deze mitochondriale ziekten is er tot dusver niet. Vandaar dat veel ouderparen met een verhoogd risico er de voorkeur aan gaven de ziekte bij hun toekomstige kinderen te voorkómen.

Een nieuwe optie is de techniek die nu in Newcastle ontwikkeld wordt: ‘voorkerntransplantatie’. Daarbij worden om te beginnen via de gangbare in-vitrofertilisatie (IVF) embryo’s tot stand gebracht. Meteen na het binnendringen van de zaadcel in de eicel ontstaan twee voorkernen (pronucleï). Ieder van deze bevat het DNA van een van de aanstaande ouders. Deze voorkernen worden overgeplaatst naar de eicel van een donor met gezonde mitochondriën, nadat uit deze eicel de kern (met DNA van de donor) is verwijderd. Het resultaat is een embryo dat voor 99,5 procent het erfelijk materiaal van de twee ‘wensouders’ draagt en voor 0,5 procent (het mitochondriaal DNA) van de eiceldonor.

Sommige critici wijzen deze aanpak af omdat het sterk lijkt op kloneren: ‘Via kerntransplantatie werd immers ook het gekloonde schaap Dolly gemaakt’. Dit klopt, maar het argument doet niet ter zake. Kloneren is immers het tot stand brengen van genetisch identieke individuen. Daarvan is hier, in tegenstelling tot bij Dolly, geen sprake. Kloneren van mensen is overigens een harde voorwaarde die in Engeland van overheidswege aan de onderzoekers is gesteld.

Een tweede mogelijk bezwaar is dat er sprake is van genetische modificatie in de kiembaan, dat wil zeggen het gericht veranderen van het genoom van toekomstige kinderen. Inderdaad wordt bij kerntransplantatie de genetische verandering in principe doorgegeven aan opeenvolgende generaties. Deze zullen de gezonde mitochondriën van de donor erven.

In Nederland is genetische modificatie in de menselijke kiembaan verboden krachtens de Embryowet – voor zover het gaat om het veranderen van DNA in de celkern, het nucleaire DNA. De wetgever heeft bewust ruimte gelaten voor interventies in het DNA van de mitochondriën. Daarmee is de ethische discussie natuurlijk niet beslecht.

Wat dan, ten derde, te denken van het bezwaar dat een kind met drie genetische ouders wordt verwekt? Het kind zou inderdaad genetisch materiaal van drie personen erven. Maar bij het mitochondriaal DNA gaat het om een klein percentage. Bovendien is het slechts van belang voor de energiehuishouding – het codeert niet voor persoonskenmerken.

Hoe zwaar moeten we tillen aan die drie ouders als we dit in het perspectief plaatsen van reeds aanvaarde vormen van ‘coöperatieve’ medisch geassisteerde voortplanting, zoals eicel- en zaaddonatie? In die gevallen is zelfs 50 procent van het erfelijk materiaal afkomstig van een donor. Bezwaren in de trant van ‘het traditionele gezin komt in gevaar’ of ‘dit is verwarrend voor een kind’ lijken weinig overtuigend.

Tot slot de veiligheid van kerntransplantatie voor het nageslacht. Men maakt zich zorgen om de mogelijk verstoorde interactie tussen de celkern en de mitochondriën van de donor. Wanneer kan de stap van laboratorium naar kliniek gezet worden? Wat zijn aanvaardbare risico’s?

De preklinische experimenten in Newcastle zijn gericht op het beantwoorden van vragen over de haalbaarheid en veiligheid van deze techniek. Deze worden gedaan met restembryo’s, embryo’s die over zijn na IVF-behandeling. Dit wordt – terecht – in brede kring geaccepteerd. In Newcastle heeft men bovendien afwijkende restembryo’s gebruikt, die drie in plaats van twee voorkernen hadden. Deze zijn daardoor niet levensvatbaar. In Nederland zou onderzoek met dergelijke embryo’s zonder enige toetsing kunnen plaatsvinden, omdat niet-levensvatbare embryo’s buiten de bescherming van de Embryowet vallen. (Het zou veel beter zijn als dergelijk onderzoek ook onder de Embryowet valt, waardoor toetsing en controle mogelijk is.)

Daarentegen zou de transplantatie van twee voorkernen naar een ontkernde eicel in Nederland niet zijn toegestaan in het kader van preklinisch onderzoek. De Embryowet verbiedt immers het doen ontstaan van embryo’s voor andere redenen dan zwangerschap.

Daarmee ontstaat de situatie dat in Nederland wel ruimte wordt gelaten voor wijzigingen in het mitochondriaal DNA, maar dat geen adequaat wetenschappelijk onderzoek kan worden gedaan naar de veiligheid van deze nieuwe techniek.

Voorkerntransplantatie kan uitkomst bieden voor wensouders met een groot risico op het krijgen van een ernstig aangedaan kind. Toepassing in de kliniek is nog niet aan de orde, maar die staat er wel aan te komen.

Dat biedt gelegenheid tot een discussie over de aanvaardbaarheid van deze technologie. Wat ons betreft moet die discussie niet zozeer gaan over fabeltjes als kloneren, ‘drie ouders’ en designer baby’s, maar over een adequaat ethisch en wettelijk kader voor preklinisch onderzoek, gericht op het verkennen en beperken van de gezondheidsrisico’s. De Embryowet schiet wat dit betreft in dubbel opzicht tekort.

Drs. Annelien Bredenoord en prof. dr. Guido de Wert zijn verbonden aan de afdeling Health, Ethics & Society en het Onderzoeksinstituut GROW van de Universiteit Maastricht.

    • Guido de Wert
    • Annelien Bredenoord