Geef me de vijf – of niet

Iemand begroeten met een handdruk is een kwestie van omgangsvormen. Cultuur en gewoonte spelen de hoofdrol. Er zijn landen waarin mensen elkaar omarmen, zoenen of zelfs ‘neuzen’. En er zijn culturen waarin wordt volstaan met een buiging, een knik of een gebaar. Een groet is erkenning van de ander, een kwestie van respect, van contact. Het is het formele begin van communicatie of de bezegeling van een resultaat. Eigenlijk zou daarmee de kous af moeten zijn.

Alleen leven we niet meer in een monocultureel land waarin dergelijke rites een ontspannen bevestiging zijn van een gedeelde identiteit. Weigeren vrouwen een hand te geven is in multi-etnische wijken een uiting van religieus radicalisme geworden. En daarmee een bron van grote spanning. Het roept verzet op en markeert scheidslijnen. Binnen de PvdA is er een scherp conflict ontstaan over orthodox-islamitische ‘buurtcoaches’. Ze worden betaald uit publieke middelen, maar willen vrouwen niet met een handdruk begroeten.

Geeft de overheid daarmee een juist voorbeeld, is de vraag. Vicepremier en PvdA-leider Bos nam zaterdag in de Volkskrant een ferm standpunt in. „Mensen in dienst van de overheid staan voor de gelijkheid van man en vrouw. Dat betekent dat je elkaar de hand schudt.” Wie voor de overheid werkt móet van Bos dus vrouwen een hand geven, net als mannen.

Het begroetingsritueel is nu door het hoogste bestuursniveau erkend als politieke kwestie, net als de boerka. Dat is niet verstandig. De buurtcoaches kunnen nu wel inpakken. Zij vormden juist een brug naar die orthodoxe minderheid. Bos houdt een pleidooi voor het zoeken van de confrontatie in het integratiedebat. Hij meent dat conflicten en polarisatie noodzakelijk voorafgaan aan emancipatie. Bos vindt het daarom wenselijk de tegenstellingen met andere religies scherper aan te zetten.

Dit is wel het laatste wat geboden is. De vicepremier dient juist een klimaat van vrijheid en tolerantie te bevorderen waarin voldoende ruimte is om ook eigen sociale en culturele normen te beleven. De overheid moet pragmatisch omgaan met tegenstellingen, waarbij eigen normen zeker uitgedragen mogen worden. Normen van burgerschap bijvoorbeeld, van vrijheid en van religieuze tolerantie.

Van iedere straatcoach mag worden verwacht dat hij zich aan beide werelden aanpast. Hij moet zijn vrouwelijke chef dus een hand geven, maar niet per se de gesluierde moslima in, bijvoorbeeld, Amsterdam-Slotervaart, die hij op straat aanspreekt. Juist om gelijkheid van man en vrouw te bereiken, moet de overheid kunnen communiceren met die groepen waarmee dit niet vanzelfsprekend is. Een verplichte handdruk verhindert zo’n contact, nog voordat het is begonnen. De polarisatie die Bos voorstaat is evident contraproductief.

Het is ondoelmatig om van de handdruk voor buurtcoaches een verplicht politiek correct gebaar te maken. Dat behoeft de overheid ook niet te beperken in het uitdragen van gelijkheid van man en vrouw als de norm in Nederland.