Woorden woorden woorden, woorden woorden woorden dit is een rode stip dit is een blauwe stip

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de invloed van taal op de werkelijkheid.

Minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA) zei vorige week in het radioprogramma De Ochtenden af te willen van het woord ‘allochtoon’. Want, het woord „creëert een kunstmatige tegenstelling tussen mensen”, stelde hij. De reacties ter rechterzijde van het politieke spectrum lieten niet lang op zich wachten. PVV-leider Geert Wilders noemde het voorstel „politiek correct geneuzel” en VVD’er Henk Kamp vond het maar „gezeur”.

Natuurlijk is de eerste vraag hoe plausibel de constatering van de minister is. Kan ons taalgebruik ‘kunstmatige tegenstellingen’ creëren? En verdwijnen die tegenstellingen door bepaalde woorden niet te gebruiken?

In taalfilosofisch opzicht is de gedachte van de minister zeker niet uit de lucht gegrepen. Het idee dat taal actief invloed uitoefent op ons beeld van de werkelijkheid – en daarmee op de werkelijkheid zelf – is één van de uitgangspunten van het linguïstisch relativisme. De voornaamste stelling uit die stroming is dat taal een causale, vormgevende factor is in de ontwikkeling van ons wereldbeeld. Onze perceptie van de werkelijkheid komt niet alleen tot uitdrukking in taal, maar wordt er mede door bepaald.

Deze vormende invloed van taal op (onze perceptie van) de werkelijkheid is misschien het beste te illustreren met het woord ‘onderbewustzijn’. Die term werd in de twintigste eeuw geïntroduceerd door de Franse filosoof Pierre Janet (1859-1947) en gepopulariseerd door psychiater Sigmund Freud (1856-1939). Tegenwoordig is het gebruik ervan vrij gangbaar.

Zou dit ‘onderbewustzijn’ bestaan, als we het woord ervoor niet hadden gehad? Driehonderd jaar geleden bekommerde geen mens zich om drijfveren waarvan hij zich ‘niet bewust’ was. Niemand was zich van het bestaan ervan bewust. Het woord zélf heeft het ‘onbewuste’ in ons wereldbeeld geïntroduceerd. En daarmee in de wereld; we gedragen ons ernaar.

Op zo’n manier zou de term ‘allochtoon’ er inderdaad mede debet aan kunnen zijn dat wij tegenstellingen tussen mensen zien of ervaren, die niet ‘werkelijk’ zijn. Zo zouden mensen zich kunnen gaan gedragen naar een ‘kunstmatige’ perceptie – door bijvoorbeeld bevooroordeeld te zijn jegens vreemdelingen of door hen oneigenlijk te discrimineren.

Het fundamentele probleem met de theorie van het linguïstisch relativisme is echter dat het aan te tonen noch te falsificeren is. Bepaalt de taal onze (perceptie van de) werkelijkheid of vice versa? Critici noemen die vraag „principieel onverifieerbaar” en de theorie daarom „conceptueel incoherent”. Ook de gedachte van Hirsch Ballin is aan dit probleem onderhevig: veroorzaakt het woord ‘allochtoon’ een ‘kunstmatige tegenstelling’ of bestaan er tegenstellingen tussen mensen die juist tot uitdrukking komen in (de negatieve connotatie van) het woord ‘allochtoon’? Taalkundige Renkema noemde het antwoord op die vraag terecht „niet te bewijzen”.

Het heeft daarom ook weinig zin om de discussie hierover op taalfilosofisch niveau te voeren. De reacties van Wilders en Kamp zijn daarentegen wel interessant om eens nader te bekijken. Ze verraden namelijk twee contradicties in het politieke denken van de huidige ‘rechterflank’.

Ten eerste staat ‘rechts’ heel ambigue tegenover symbolische connotatie. Zo vinden de PVV en de VVD een hand geven aan vrouwen essentieel voor deelname aan ‘onze’ waarden, maar is het (negatieve) gebruik van een woord als ‘allochtoon’ direct triviaal ‘geneuzel’. Dat is tegenstrijdig. En opportunistisch: het lijkt er op alsof ze het woord ‘allochtoon’ willen handhaven, omdát het een tegenstelling suggereert die hen in politieke zin goed uitkomt. Symbolen zijn blijkbaar alleen relevant als rechts er baat bij heeft.

Ten tweede lijkt rechts, met name Wilders, geen keuze te kunnen maken tussen universalistische en cultuurrelativistische morele waarden.

De gedachte dat de woorden autochtoon en allochtoon een ‘kunstmatige’ tegenstelling herbergen, is namelijk direct te relateren aan een universalistische denkwijze, die in de politieke filosofie bekend staat als het kosmopolitisme. De voornaamste stelling daarvan is, kort samengevat, dat alle mensen ter wereld deel uit maken van één wereldwijde morele gemeenschap. Zo ligt die gedachte ten grondslag aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Verenigde Naties. Centraal staat hierin de aanname dat er een universele moraal bestaat – ofwel, één juiste opvatting over ‘goed’ en ‘kwaad’ die voor ieder mens geldt. Dat is ook wat ons verenigt: we behoren allen tot de morele gemeenschap die ‘mensheid’ heet.

De tegenstelling autochtoon-allochtoon is in die zin dus een schijntegenstelling: we zijn allen wereldburgers. Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) is een van de bekendste pleitbezorgers van dit soort kosmopolitisme. Voor hem waren verschillen tussen staten, landen, samenlevingen en culturen moreel irrelevant.

Dat uitgerekend Geert Wilders de suggestie van minister Hirsch Ballin onmiddellijk afdoet als ‘politiek correct geneuzel’, is daarom uiterst ambigue. Er is namelijk geen enkele politicus in Nederland die wat morele opvattingen betreft zo universalistisch is als Wilders. Het is zelfs speerpunt van bijna zijn gehele partijprogramma: wie zich niet aanpast aan de algemeen geldende ‘westerse’ moraal, hoort hier niet thuis. Dat is de reden waarom hij de islam verwerpt, moskeeën wil sluiten, een immigratiestop voor moslims wil, de Koran wil verbieden en tegen de uitbreiding van de EU met het islamitische Turkije is. De ideale wereld van Wilders zou dus ook geen ‘allochtonen’ kennen; we zouden dan allemaal ‘westers’ zijn.

De innerlijke tegenspraak van Wilders’ denken schuilt in het feit dat hij wel een universele moraal hanteert, maar tegelijkertijd de verschillen tussen staten, landen, samenlevingen en culturen moreel relevant acht. Wilders vindt dat alle mensen onderdeel zouden moeten zijn van dezelfde morele gemeenschap, maar hij is niet van mening dat mensen ook bij voorbaat onderdeel van die gemeenschap zijn. Voor de kosmopolitische verlichtingsdenkers waar hij zich graag op beroept, is dat juist het uitgangspunt: we zijn allemaal mensen, daarmee onderdeel van de ‘mensheid’ en onder die noemer verenigd onder dezelfde moraal. Voor Kant bijvoorbeeld golden de mensenrechten voor alle „redelijke wezens” – alle mensen dus.

Wilders combineert zijn universalistische moraal dus met cultuurrelativistisch communitarisme – een gedachtegoed waartegen het kosmopolitisme juist tegen ten strijde trok. Het communitarisme gaat er namelijk vanuit dat de ‘mensheid’ geen eenheid vormt: mensen zijn gescheiden door de verschillende morele gemeenschappen waartoe ze behoren. Communitaristen maken daarbij vaak, net als Wilders, een moreel onderscheid tussen verschillende culturen: de ene cultuur is beter dan de andere. Wilders doet dit meestal op grond van een natiestaat (Nederland) en soms op grond van een werelddeel (het Westen). De Nederlandse of ‘westerse’ morele gemeenschap is „superieur” aan de islamitische, stelt hij dan.

Dat Wilders vindt dat Hirsch Ballin ‘neuzelt’, komt dan ook voort uit de veronderstelling dat de minister een morele rangorde tussen culturen lijkt te verwerpen. Of Hirsch Ballin dat ook echt bedoelde, is niet zeker, maar wel waarschijnlijk. Vermoedelijk ageerde de minister met de woorden ‘kunstmatig onderscheid’ tegen de morele rangorde die de termen ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ impliceren.

Een waarschuwing is hier dus op zijn plaats. Het koppelen van universalisme aan een communistarisch-nationalistische inslag is namelijk niet alleen contradictoir, maar kan ook explosief zijn. De laatste politieke leider die zo’n combinatie met ‘succes’ ter berde bracht was Adolf Hitler. Dat wil niet zeggen dat Geert Wilders een nieuwe Hitler is. Maar hun beider denkwijzen tonen in dit opzicht wel gelijkenis: allebei gaan ze uit van een superieure morele gemeenschap (‘arisch’ of ‘westers’) om andere morele gemeenschappen (joden, moslims) uit te sluiten.

En dát is zeker geen onschuldig ‘politiek correct geneuzel’.

    • Rob Wijnberg