‘Niet het script maar het talent van de makers is cruciaal’

Filmmakers krijgen een ranking, adviescommissies doen een stapje terug. Esmé Lammers maakt in opdracht van het Filmfonds een nieuw subsidiesysteem.

Esmé Lammers Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Esmee Lammers Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 080304 Boyer, Maurice

In 2005 werd regisseur Esmé Lammers bij het Nederlands Fonds voor de Film aangesteld als intendant voor de commerciële speelfilm. Toen was ze al van plan om de systematiek van de subsidietoewijzing aan een onderzoek te onderwerpen. Is de huidige methode, met adviescommissies die scenario’s beoordelen en op basis daarvan subsidie toekennen, wel doelmatig?

Lammers dacht van niet. Met goedvinden van directeur Berbers van het Filmfonds paste ze een andere selectiemethode toe op de aanvragen die op haar eigen bureau kwamen: 146 waren dat er, in twee jaar tijd.

Esmé Lammers: „Zie maar eens wijs te worden uit zo’n gigantische stroom aanvragen. Aan een papieren plan kun je helemaal niet zien wat de maker er mee wil. Scheppen is een dialoog tussen de kunstenaar en het witte doek. Bij een filmer is dat niet anders dan bij een schilder; hij begint bij A, maar eindigt misschien wel bij Z. Als ik een filmer vastpin op het plan dat hij indient als de maker nog bij A zit, blokkeer ik zijn creativiteit.”

Gebeurt dat in het huidige systeem?

„Het scenario is nu een zwaarwegende factor bij de toekenning van subsidies. Maar de relatie tussen het scenario en de uiteindelijke film is enorm grillig. Een film is zo goed als de makers het scenario verfilmen. Niks meer en niks minder.”

Hoe bent u het gaan doen?

„Ik ben me gaan richten op makers: regisseur, scenarist en producent. Bij hun talent ligt de basis van de kwaliteit, niet bij mijn beoordeling van hun plan. Niet ik ben belangrijk, niet de commissies, alleen de makers. Dus moeten we in kaart brengen wat die mensen kunnen. Toen ben ik stapels gaan maken.

„Op stapel 1 legde ik degenen die recent succes hadden geboekt. Die hebben financiers overtuigd om geld in hun project te steken, die hebben een film voltooid en daarmee een (groot) publiek bereikt. Mensen als Johan Nijenhuis, Ben Sombogaart, Paul Verhoeven, een bedrijf als Motel Film van Alles is liefde. Van hen is het niet de vraag óf ze iets willen maken, maar wát ze willen maken.

„Op stapel 2 kwam de professionele maker. Daar stikt het van in Nederland: gelouterde filmmakers, die niet gisteren een box office hit hebben gehad of een prijs hebben gewonnen, maar wel hebben laten zien dat ze een film kunnen maken. Op stapel 3 lagen de beginners. Daar kan zomaar een groot talent tussen zitten. Dat is de moeilijkste stapel om te beoordelen.”

Wat deed u dan?

„De makers van stapel 1 nodigde ik uit voor gesprek. Ik vroeg: ‘Is dit echt wat je wilt maken? Ik heb het gevoel dat deze aanvraag misschien te veel naar mij toe geschreven is.’ En dat klopte soms. Bij veel aanvragen blijkt een belangrijk criterium voor de schrijvers te zijn: wat komt er bij het Fonds doorheen? Tegen mij zeiden de makers: ‘Als ik het zelf mocht bepalen, deed ik het liever zus of zo.’ En ze móeten het ook zelf bepalen.”

Dus u heeft 146 aanvragen gehonoreerd.

„Nee, ik heb een derde gehonoreerd. Ik heb honderd afwijzingsbrieven moeten schrijven, vooral van de stapels 2 en 3.”

Veel boze mensen?

„Nee, helemaal niet. Ik heb nooit iets gezegd over de inhoud van hun project. Ik beoordeelde hen naar de drie maatstaven die ze van tevoren kenden: bewezen kwaliteit van hun vroegere werk, de vraag of een distributeur geld in hun project wilde steken en de verhouding tussen de kosten en de baten van de film – ik was per slot van rekening intendant voor de cómmerciële film.

„Mijn systeem is geen tombola; zo zien de producenten het huidige systeem. Ze hebben nu geen enkel houvast, of ze moeten denken de smaak van een commissie te kunnen voorspellen. De reden om een film te maken moet zijn dat makers hem willen maken en dat het publiek hem wil zien. Niet of een commissie hem mooi vindt.”

Hoe kan een maker zijn kansen dan inschatten in uw systeem?

„Toen in 2007 mijn periode als intendant afliep, vroegen de producenten of ik mij systeem wilde uitwerken en het Filmfonds laat me dat nu doen, dat vind ik heel goed van ze. Ik stel een ranking voor makers op. Het stapeltjes-systeem dat ik als intendant heb gehanteerd, wordt nu gerationaliseerd en verfijnd. Ik heb een database gemaakt van alle makers. Alle films waaraan ze hebben meegewerkt, prijzen die ze hebben gewonnen, publiek dat ze hebben bereikt – het zijn allemaal factoren die optellen tot een getal en dat is hun ranking. Mijn ideale systeem zou zijn dat een maker zijn CV bij het Fonds in de brievenbus gooit een er, rrrrrt, automatisch een ranking uitrolt. Hoe hoger het getal, hoe groter de kans op subsidie.”

Dan zijn er straks dus geen adviescommissies meer nodig.

„Jawel, maar die krijgen heel gerichte vragen. Alleen bij grensgevallen vraag je nog advies.”

Houdt uw systeem niet een klein gevestigd groepje makers in stand?

„Daar kun je beleid voor maken. Je kunt vastleggen wat je wilt bereiken, en dan weeg je de ranking specifiek naar die behoefte af tegen andere factoren. Je zou producenten die beginnend talent steunen, extra punten kunnen geven.

„Wij van het Fonds bepalen de factoren die bij de weging moeten worden gebruikt. Voor het opstellen van een model waarin al die factoren goed tegen elkaar worden afgewogen, heb ik de hulp ingeroepen van wiskundigen van de Universiteit van Twente. Wat moet je bijvoorbeeld doen met een talentvol regisseur wiens laatste film is geflopt? De wiskundigen kwamen met het voorbeeld van het ranking-systeem bij tennissers. Een toptennisser kan geblesseerd raken en een jaar uit de running zijn. Dan moet hij zich bij terugkeer toch kunnen kwalificeren voor een groot toernooi.”

En wat is uw eigen ranking?

„Heel middelmatig. Ik sta keurig tussen de professionals.”

    • Bas Blokker