Jury popprijs beticht van slechte research

„Zuur”, noemt blueskenner Guido van Rijn het. Vorige week won Parooljournalist Peter van Brummelen de Jip Golsteijn Journalistiekprijs. Deze prijs, vernoemd naar de in 2002 overleden popjournalist van de Telegraaf, wordt elke twee jaar uitgereikt. Van Brummelen kreeg de prijs voor zijn verhaal over de Nederlandse zoon van de Amerikaanse blueslegende Big Bill Broonzy. Van Brummelen zocht hem op en interviewde hem.

„Hoogst origineel”, vond de jury het verhaal en ze beloonde de Van Brummelen met de prijs. En dat steekt Guido van Rijn. Want hoogst origineel is het verhaal niet. Sterker nog, zegt Van Rijn: „Ik schreef eerder over de zoon, na twee jaar onderzoek te hebben gedaan”.

Hoe dat in zijn werk ging? Op de zolder van filmer Louis van Gasteren lagen geluidsopnames van twee concerten van Big Bill Broonzy, eind jaren vijftig in Amsterdam. Die opnames verschenen begin 2006 op een cd-box, die werd vergezeld van een boekje. Daarin schrijven Van Gasteren en Van Rijn over de Nederlandse zoon van Broonzy, die bij het Amsterdamse multiculturele theatergezelschap Cosmic werkt.

Voor alle duidelijkheid; Van Rijn beticht Van Brummelen niet van plagiaat. „Hij heeft gewoon zijn journalistieke werk gedaan. Het gaat erom dat de jury zich niet goed heeft verdiept.”

Een van de drie juryleden, Bert van de Kamp, zegt inderdaad niet van het bestaan van de box en het boekje te hebben geweten. Maar: „Het gaat om een obscure box, een obscure bron. En we beoordelen het verhaal, niet de research.” Had Van de Kamp wel van de box geweten, dan was de prijs waarschijnlijk nog naar Van Brummelen gegaan, zegt hij. Alleen was de kwalificatie ‘hoogst origineel’ dan niet gevallen. „Maar dat was slechts één van de redenen waarom Van Brummelen de prijs heeft gewonnen’, aldus het jurylid.

Voormalig hoofdredacteur van VPRO-radio, Arend Jan Heerma van Voss, heeft inmiddels een protestbrief naar de jury gestuurd. Heerma, die een radio-uitzending over de opnames van Van Gasteren maakte, zegt de gang van zaken „op z’n zachtst gezegd een beetje eigenaardig te vinden”.