Het geld vliegt weg

Wie in de supermarkt een paar euro aan levensmiddelen uitgeeft, betaalt daarover meer belasting dan de vliegtuigpassagier die een ticket van 1.000 euro koopt om naar New York te vliegen. Deze vergelijking, afkomstig van staatssecretaris De Jager (Financiën, CDA), snijdt hout. En toch is het logisch dat de luchtvaart- en toerismesector zich verzetten tegen de invoering van de zogenoemde vliegtaks.

Per 1 juli moeten passagiers die in Nederland opstijgen een fiscale toeslag op hun ticket betalen – wie nu een kaartje koopt voor een vlucht na die datum, betaalt het extraatje al. Het gaat om 11,25 euro voor de korte vluchten, grofweg gezegd binnen Europa, en 45 euro voor de langere vluchten. Het kabinet heeft voor dit besluit de steun gekregen van een meerderheid in het parlement. Via een kort geding, dat morgen dient, proberen de luchthavens Schiphol en Maastricht, de luchtvaartmaatschappijen en de organisatie voor de reisbranche ANVR de invoering van de vliegtaks te voorkomen. Zij beroepen zich op concurrentievervalsing.

Er is alle reden om het vliegverkeer aan te slaan voor de mate waarin het bijdraagt aan luchtvervuiling en andere milieuhinder. Het is ook niet logisch dat automobilisten, ook het goederenvervoer over de weg, via accijns op brandstof en andere belastingen wel bijdragen aan de algemene middelen van de overheid, terwijl de kerosine van vliegtuigen onbelast is. En als de luchtvaart de prijs voor milieuvervuiling alsnog moet gaan betalen, is dat tevens een goede reden om ook het internationale scheepvaartverkeer aan te slaan, nog een vervuilende sector die ten onrechte buiten schot blijft.

Het probleem van de vliegtaks is echter dat deze toeslag vooralsnog wel het vliegen duurder maakt, en dus Nederlandse luchthavens benadeelt ten opzichte van de concurrentie in het aangrenzende buitenland, maar dat het milieu er niet schoner van wordt. Er zal geen kilometer minder om worden gevlogen. De enige zekerheid is dat de vliegtaks een aardige bijdrage aan de Nederlandse schatkist oplevert, naar schatting 350 miljoen euro per jaar. Dat kan nog passen in de fiscale filosofie van het kabinet dat belasting op vervuiling duurder moet worden en belasting op arbeid goedkoper. Maar prognoses van onder meer het Centraal Planbureau duiden erop dat de vliegtaks een negatief effect op de werkgelegenheid heeft, omdat hij leidt tot een lagere groei van de luchthavens.

Internationale verdragen verhinderen de invoering van een eerlijker en gewenste maatregel als accijns op kerosine. Of de belasting op vliegtickets die Nederland invoert niet in strijd is met het Verdrag van Chicago (dat onder meer het doorbelasten van kosten regelt), valt overigens ook nog te bezien. Het liefst wereldwijd, maar ten minste op Europees niveau zou over de aanpak van het luchtverkeer eerst een akkoord moeten worden bereikt. De aanpak van milieu- en klimaatvraagstukken vergt een mondiale benadering. Invoering van de vliegtaks alleen in Nederland heeft in dat licht niet veel meer dan symbolische betekenis.