Gedisciplineerde democratie

Conferenties van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds zijn sinds jaar en dag ook een jaarmarkt voor actiegroepen, andersglobalisten en milieunetwerkers. Er zijn camera’s in de buurt, iedereen is er, aandacht verzekerd. De voorlaatste conferentie van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank was in Singapore. En Singapore is niet alleen hypermodern, maar ook Aziatisch, dus ze houden niet van wanorde, laat staan van wangedrag. Een bijeenkomst van meer dan vier mensen heet er een samenscholing en is er verboden. (Tenzij mensen als consumenten samenscholen natuurlijk.) De alternatieve jaarmarkt ging dus niet door, en wat de westerse landen met hun meerderheid in deze organisaties ook smeekten om een beetje vrijheid van meningsuiting rondom hun conferentie, het kleine Singapore (4,5 miljoen inwoners) gaf tegen het grote Westen geen krimp. Als westerse landen dan zo nodig behoefte aan rotzooi hadden, dan moesten ze dat thuis maar doen. Veel subtieler was de boodschap niet.

Het is een open deur om vast te stellen dat het grootste deel van de wereld geen democratie kent. En de redenering luidt vanuit het Westen beschouwd nog altijd dat het een kwestie is van tijd: hebben onderontwikkelde landen eenmaal welvaart en middenklasse dan komt democratie wel. Ondertussen hebben de machthebbers ginds af en toe een duwtje of een por nodig om de route helder te krijgen en het marstempo te bevorderen. De Olympische Spelen zijn zo’n aardig por-moment.

Maar of deze vertrouwde westerse projecties kloppen?

Je ontmoet in Azië grofweg drie typen van opvattingen hierover, voor zover natuurlijk een dergelijke generalisatie voor drie miljard mensen geen gotspe is. Maar vooruit. De ene groep is er ten diepste van overtuigd dat de westerse democratie inferieur is aan het model dat in Azië ontluikt. Dit model stoelt op eigen Aziatische waarden, zoals traditie, gezin, harmonie, respect voor ouderdom, hiërarchie, zelfdiscipline. Chinezen mogen deze opvatting altijd graag overgieten met een sausje confucianisme. Zelfs openbare twistgesprekken zijn hierbij ongepast, want het hoort niet en leidt tot gezichtsverlies. Als een parlementariër in Singapore wil weten wat de mensen in zijn of haar wijk vinden, overlegt deze altijd achter gesloten deuren met hen, nooit openbaar. Dit type overleg hebben ze overigens frequent.

Zelfs in een land als Thailand met zijn attributen van democratie zijn die ruziemakende politici dan ook van een lager allooi dan de traditionele elite rondom koningshuis, ambtenarij en leger en die traditionele elite heeft aan het eind van de dag dan ook de touwtjes in handen als de ordinaire mannen van de democratie het al te bont maken.

De tweede groep aarzelt, maar is er in elk geval van overtuigd dat Aziatische landen nog heel lang ongeschikt zijn voor zo’n westers type democratie met vrije meningsuiting en scheiding van machten. Daar komt in een gebied met enorme economische groei en de onlosmakelijke wrijving tussen armoede en rijkdom, tussen geschoold en ongeschoold, alleen maar ellende van, d.w.z. ruzie, chaos, bloedvergieten, nieuwe armoe.

De scheidslijnen tussen deze twee groepen zijn vloeibaar en ik heb zelf diverse keren beleefd dat dezelfde personen van het ene naar het andere seminar tussen deze beide standpunten – wij, Aziaten, zijn superieur versus wij zijn er nog niet aan toe – heen en weer pendelden. Gebeurtenissen als de Amerikaanse hypotheekcrisis of de verspeelde vijf miljard van de Franse bankemployé Jerome Kerviel voeden het sentiment van superioriteit weer. Evenals natuurlijk de eigen industriële en economische successen en de financiële overschotten.

Als de sporters straks in Peking landen, zal de hele wereld die gouden koepel zien in de vorm van een draak: dat is de nieuwe internationale terminal, groter dan heel Heathrow samen en in vier jaar tijds gepland en gebouwd dankzij 50.000 nijvere bouwvakkers. En wie dan zegt dat dit een stuntje is, krijgt te horen dat er nog meer vliegvelden in China zijn gepland. In concreto: over twaalf jaar liggen er precies 97 meer dan nu. De westerling die dan, indachtig democratie en procedures, niet heel even stil is, moet nog uitgevonden worden.

Maar er is een derde groep. Het zijn de herkenbare gedupeerden van het systeem, gevangen gezeten, gemaltraiteerd en op zoek naar steun in het Westen. Een organisatie als Human Rights in China in New York probeert tussen hen en het ‘Aziatische Azië’ een brug te slaan, in Hongkong willen ze zich buiten het licht van camera’s weleens manifesteren.

Chinese bestuurders en wetenschappers zijn aanzienlijk vertrouwder met deze discussie dan hun verklaringen suggereren. Het aantal Chinezen in het politburo en de regering van het land dat in Amerika heeft gestudeerd is bijvoorbeeld groter dan in welke West-Europese ministerraad dan ook.

Maar de scepsis over het voorbeeld Amerika – in sommige gevallen ook ronduit de minachting – hoeft er juist daarom helemaal niet minder op te zijn. Natuurlijk probeert de Chinese partijtop voor de Spelen en voor de Wereldexpo van Sjanghai 2010 reputatieschade te voorkomen, maar nog meer dan andere groeilanden in Azië heeft China weet van de eigen onweerstaanbaarheid. Dat gaat verder dan bewondering voor het eigen verleden – ondanks een miserabel tussenspel van een paar eeuwen – en eigen toekomst.

Het is juist deze onweerstaanbaarheid die Aziaten in hun eeuw de macht geeft zelf te bepalen of ze met die democratie iets kunnen en zo ja, wat dan. Zou je nu hun ideaal moeten samenvatten dan is het waarschijnlijk iets waar de spraakmakende gemeente in het Westen een hekel aan heeft maar menig mens misschien op een onbewaakt moment van zwakte stiekem even naar verlangt, namelijk de gedisciplineerde democratie.

Reageren kan op nrc.nl/knapen (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).

    • Ben Knapen