Bevorder het deeltijdpensioen vanaf 60 jaar

Als de regering wil dat ouderen langer aan het werk blijven, moet niet alleen na 65 jaar in deeltijd worden doorgewerkt, maar ook ervoor, schrijft Herman M. Kappelle.

Minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) pleitte vorige week voor deeltijdpensioen. Werknemers zouden volgens Donner gemakkelijker moeten kunnen kiezen om na hun 65ste jaar gedeeltelijk te blijven werken. Nu is het volgens de minister nog te vaak een kwestie van alles of niets als men de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Donners voorstel is zeker toe te juichen. Maar zijn voorstel zou verder moeten gaan. Het aantal ouderen dat op de arbeidsmarkt actief blijft, zou verder kunnen stijgen als het deeltijdpensioen eerder inging.

Uit onderzoek blijkt dat veel Nederlanders gedeeltelijk willen blijven werken. De huidige fiscale en juridische regels maken dat deeltijdpensioen theoretisch ook mogelijk. De sleutel ligt bij de sociale partners: zij blijven hameren op eerder stoppen met werken dan 65 jaar. Beter zou zijn als zij deeltijdpensioen faciliteren. Ik doe hieronder een voorstel hoe een pensioenstelsel mét deeltijdpensioen, eruit kan zien.

Maar eerst, waarom pleit Donnervoor deeltijdpensioen? De reden is de lage arbeidsparticipatie van ouderen in ons land. Te laag vindt het kabinet. Op grond van afspraken die zijn gemaakt op de EU-top in Stockholm in 2001, is bepaald dat de arbeidsparticipatie van ouderen (dat wil zeggen tussen 55 en 65 jaar) in 2010 ten minste 50 procent moet zijn. Momenteel is deze bijna 47 procent.

De verhouding tussen actieven en inactieven op de Europese arbeidsmarkt was ten tijde van de Stockholmtop vier actieven op één inactieve. Bij ongewijzigd beleid zou dit in 2030 twee actieven op één inactieve zijn. De gemiddelde leeftijd waarop de Nederlander stopt met werken, ligt rond zijn 61ste verjaardag.

Om de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten stelde het kabinet in 2003 vergaande maatregelen voor. Alle fiscale stimulansen voor het eerder dan op 65-jarige leeftijd stoppen met werken werden geschrapt. Vut, prepensioen, maar ook het overbruggingspensioen en de overbruggingslijfrente.

Hiertegen ontstond veel maatschappelijke weerstand. Dat resulteerde uiteindelijk in het Najaarsakkoord op grond waarvan eerdere pensionering dan op 65 jaar nog steeds mogelijk is.

De kabinetsmaatregelen lijken echter wel vruchten te hebben afgeworpen. De arbeidsparticipatie van de groep 55-65 jaar is in de jaren 1996-2007 bijna verdubbeld.

De meeste mensen zijn het er wel over eens dat het beter is als ouderen langer aan het werk blijven. Maar persoonlijk willen de meesten toch wel eerder stoppen met werken. Uit een onderzoek dat in 2004 door Research International werd uitgevoerd, bleek al dat ruim 80 procent wil stoppen met werken op of voor de 60-jarige leeftijd. 45 procent ziet 57 jaar zelfs als de ideale pensioenleeftijd.

Een ander interessant gegeven is dat op de vraag ‘Wat zou u doen als alle vut- en prepensioenregelingen in Nederland zouden worden afgeschaft’ nog geen kwart van de ondervraagden aangaf dat hij dan tot zijn 65ste evenveel uren zou blijven werken. Ruim een kwart wilde wel tot zijn 65ste blijven werken, maar dan in deeltijd. Tien procent werkt wel wat langer door dan gepland, maar niet tot 65 en 14 procent zegt eerder te stoppen en gaat daarvoor geld opzij leggen.

De kabinetsplannen leiden dus maar zeer ten dele tot het gewenste doel. En ook dat is niet zo verbazingwekkend: vliegen vangt men met stroop, niet met azijn. Veel mensen willen wel doorwerken, maar op die leeftijd graag een tandje minder.

Deeltijdpensioen is hiervoor een prima oplossing. In plaats van óf volledig door te werken, óf volledig met pensioen te gaan, blijft men bijvoorbeeld drie dagen werken en gaat men al twee dagen met pensioen. Over de tijd dat nog wordt gewerkt, wordt normaal pensioen opgebouwd. Op de uiteindelijke pensioendatum gaat dit gedeelte ook in en is de werknemer geheel met pensioen. Deze vorm van pensioen is op dit moment al fiscaal en juridisch mogelijk, maar er wordt nog niet op grote schaal gebruik van gemaakt.

Naast de overheid is er een cruciale rol weggelegd voor de sociale partners om het deeltijdpensioen meer geaccepteerd te krijgen. Op dit moment kan ik me voorstellen dat werkgevers nog niet staan te springen om ouderen in deeltijd aan het werk te houden. Liever een goedkopere jongere van de arbeidsmarkt geplukt. Maar gezien de voortschrijdende vergrijzing zal dit binnen niet al te lange tijd steeds moeilijker worden. Daarom moet er gauw wat veranderen.

In het huidige stelsel zijn de fiscale faciliteiten er in beginsel op gericht om op 65-jarige leeftijd met pensioen te kunnen gaan. Eerder met pensioen kan, maar dat leidt dan via de zogenoemde ‘actuariële korting’ tot een lager pensioen. In mijn voorstel kan vanaf 60 jaar deze actuariële korting worden voorkomen, mits sprake is van deeltijdpensioen en mits het voltijdpensioen niet eerder ingaat dan 65 jaar.

Op deze wijze zal het aantal ouderen tussen 60 en 65 dat in deeltijd aan het werk blijft toenemen en daarmee ook de arbeidsparticipatie in deze groep.

In het overleg tussen de sociale partners kunnen afspraken worden gemaakt over de verdeling van de kosten van de pensioenregeling. Daarbij kan ik me voorstellen dat de financiering van eerdere pensionering dan op 65-jarige leeftijd relatief meer door de werknemer geschiedt dan de financiering van het pensioen na de 65-jarige leeftijd.

Mr. H.M. Kappelle is bijzonder hoogleraar fiscaal pensioenrecht aan de Vrije Universiteit en directeur AEGON Adfis (Adviesgroep juridische en fiscale zaken).

    • Herman M. Kappelle