Bespottelijk woord

rozen

Veel mensen werden ooit verlaten, ook mensen aan wie je dat niet meer ziet. Zij hebben naast een spoorweg gestaan en in een portiek gelegen en te veel gedronken en geschikte messen gezocht en zich maandenlang opgesloten en iedereen vervloekt maar toen ging het over en nu zie je er niets meer van.

Aan anderen blijf je het natuurlijk merken. En nog anderen hebben alleen verlaten. Verlaten werd ik nooit. Verlaten word ik nu.

Verlaten heeft gewacht tot ik had wie ik niet kon verlaten. Zo gaat dat met verlaten.

Het bespottelijke woord vult muren, vloeren, donsdekens, telefoongesprekken, wijn.

Vult de heldere lucht waarvan je toch wat troost zou verwachten, wenst hem weg, laat hem vallen. Vult mijn pen met diarree.

Iemand zei: „Vijf jaar geleden nog was ik bijna dood, zo plots zonder mijn vrouw en nu: een nieuwe vrouw en een cocon van rust.”

Iemand zei: „Jij bent zo sterk, dat heb ik altijd al gevonden.”

Iemand zei: „Zie het als een kans.”

Iemand zei: „Tijd.”

Dat er weinig over te zeggen valt, dat zeggen ze allemaal. En jij tatert de stilte stuk: „Er is een ander, nee, die ander is alweer voorbij, maar ik moet weg want onze ruzies bestonden en ik ben het grootste probleem en ik denk niet je te kunnen missen en weet niet waarheen en jij bent zo fantastisch en het zit in mijn hoofd en ik moet alleen zijn.”

En dan blijf je mij omcirkelen met een sorry sorry, een occasionele dolksteek, zelfreflecties, verwarde hoop en te kleine pleisters.

Terwijl ik nietsvermoedend leefde, werd het fluisterasfalt van de snelwegen door herinneringen vervangen. Ik rijd maar vind het niet mooi of te mooi of te te. Laat mij bij de volgende zee die ik zie geen zelfmedelijden vinden waar water was. Dat niet.

Iemand verzuchtte: „Ja ja, relaties, nondedju.”

Iemand beval: „Goed eten hoor!”

Iemand maakte mij aan het lachen, een band speelde en ik danste. Natuurlijk ben ik sterk.

Iemand merkte op: „Je zei het zelf nog: aanvaarding.”

Iemand beloofde: „Op een dag is het weg.”

Iemand dichtte dat de eenzaamheid als de regen is. Dat zij naar de stromen spoelt.

Jij slaapt. Ik zit hier.

Jij zei: „Spijt kan later.”

Ik zei: „Ook nu en later kom jij maar met je spijt en dan zal ik niet weten waarom jij ooit zo mooi, zo juist was, zal ik je duwen met mijn hand, je zeggen neen, echt niet, ik zal je zeggen, hand in hand, na je spijt en niet weten waarom je ooit niet zag dat ik zo mooi, zo juist ben, zal ik zeggen ja, slaap maar, ik zit hier.”

    • Annelies Verbeke