Wetenschappelijk verbeelde natuur

Maria Sibylla Merian: ‘Granaatappelbloesem en vrucht met Morpho menelaus en rups van de pijlstaartvlinder’ (1705, waterverf en Arabisch gom)

Tentoonstelling Maria Sibylla Merian & Dochters, t/m 18 mei in het Rembrandthuis, Amsterdam. Dagelijks 10-18u. Inl.: 020-5200 400, www.Rembrandthuis.nl

Er kruipt een enorme rups langs de voorgevel van het Rembrandt-huis. Daarboven kijkt een kleurige vlinder over de stad uit. De laat-17de-eeuwse tekenares en entomologe Maria Sibylla Merian heeft tijdelijk bezit genomen van Rembrandts woning. Maria Sibylla was tijdens haar leven al een legende. Zij werd in 1647 geboren in boekenstad Frankfurt. Haar vader, de beroemde graficus Matthias Merian, stierf toen ze drie jaar oud was en mamma Merian hertrouwde met de stillevenschilder Jacob Marell. Marell was een leerling van Jan Davidszoon de Heem, wiens stillevens tot de toppers van de gouden eeuw behoren.

Wie in de 17de eeuw in een milieu van succesvolle beoefenaars van kunstambacht geboren werd, ging later vaak hetzelfde pad op. Zo ook Maria Sibylla, die met een kunstenaar trouwde en zich specialiseerde in tekeningen en prenten naar de natuur. Insekten, rupsen, bloemen en fruit. Ze gaf ze uit in grote boeken, kostbare plaatwerken voor de elite. Op de tentoonstelling is mooi in beeld gebracht in wat voor omgeving Merian opgroeide, in welke traditie ze werkte en ook hoe haar dochters met haar meewerkten. Wie van 17de-eeuwse en andere bloemboeken houdt kan zijn hart ophalen.

Zo te zien heeft Maria Sibylla veel geleerd van haar stiefvader Jacob Marrell, een meester in zacht omfloerste bloemboeketjes, die in zijn tijd grif van de hand gingen. Maar het is ook duidelijk dat zij de natuur aanzienlijk exacter benaderde. Als ze een rups tekent zijn de ontelbare haartjes niet, zoals bij Marrell, zacht en aaibaar. Hoe fijn ook, ze hebben bij haar iets hards, klinisch, onpersoonlijks. Maria Sibylla benaderde de natuur zo wetenschappelijk mogelijk, de wanden van het museum hangen vol met haar heldere, frisse prenten. Het heeft geen zin om haar abrikozen of andere vruchten te vergelijken met het mooist denkbare op dat gebied, namelijk de kwetsbare, wonderbaarlijke blauwe pruimen van de 19de-eeuwer Edouard Manet bijvoorbeeld, of het verstilde fruit van Merians tijdgenoot Adriaan Coorte (nu te zien in het Mauritshuis). Dat waren kunstenaars die de ziel beroeren en dat wilde Maria Sibylla helemaal niet. Zij leefde in een tijd waarin de natuurwetenschap nog niet of nauwelijks bestond. Zij streefde ernaar de onbekende wonderen van de natuur te analyseren en aan een breed publiek zo exact mogelijk te presenteren. Hoe meer wonderen hoe beter, vond de tekenares blijkbaar. Op 53-jarige leeftijd, toen ze al een eigen bedrijf had in Amsterdam, trok Merian met haar jongste dochter nog naar Suriname, om daar twee jaar lang inheemse insekten, reptielen, spinnen en planten te tekenen.

In het museum worden de prenten en boeken van Merian en tijdgenoten hier en daar afgewisseld met tableaus met echte beestjes. Je ziet de ontwikkeling van rups tot vlinder van de beige-bruin gemarmerde Thysania agrippina en van de prachig turkoois Morpho menelaus. Er is zelfs een heuse pipa pipa op sterk water, een grote, griezelige Surinaamse pad. Rembrandt zou zijn ogen hebben uitgekeken als hij had kunnen zien wat er nu zijn huis is binnengedrongen. Of hij het tot de kunst zou hebben gerekend is de vraag.

    • Saskia de Bodt