Vindt kabinet lijf en goed belangrijker dan vrij zijn?`1

Eind 1936 werd mijn grootvader, de journalist dr. Marcus van Blankenstein, ontslagen als adjunct- hoofdredacteur bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hij was in die tijd de zeer bekende en gerespecteerde buitenlandcommentator van de krant, met veel internationale contacten. In de krant oefende hij regelmatig kritiek uit op nazi-Duitsland. In de perceptie van veel geestverwante Nederlanders had dan ook Duitse druk een belangrijke rol gespeeld bij zijn ontslag. Hoewel vanuit de NRC steeds de competentiestrijd binnen de redactie werd benadrukt, is uit naoorlogs Duits archievenonderzoek gebleken, dat naast een Duits advertentieboycot van de NRC, er ook door het dreigen met schadelijke gevolgen voor de Rotterdamse economie, zware Duitse diplomatieke druk op het Rotterdamse bedrijfsleven en de uitgever van de NRC is uitgeoefend. Dat dit zoenoffer noch de stad Rotterdam, noch het Rotterdamse bedrijfsleven of de NRC voor grote rampen heeft kunnen behoeden, is genoegzaam bekend.

Zowel deze, als veel soortgelijke capitulaties voor dictaturen, leren dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat het inmiddels maandenlange aanhoudende mea culpa van het Nederlandse kabinet over de hypothetische film van Wilders veel indruk zal maken op machthebbers in landen waar straks gewelddadige protesten tegen Nederlandse belangen verwacht kunnen worden. Het beleden onvermogen van het kabinet, ondanks verwoede pogingen, Wilders de camera te snoeren, zal hen sterken in de overtuiging dat zij, zonder veel risico, anti-Nederlandse protesten kunnen toestaan. Bovendien zou hun erkenning van het Nederlandse excuus van vrijheid van meningsuiting hun onderdanen op heel verkeerde ideeën kunnen brengen. Ook al is een rechte rug niet altijd in staat onheil af te wenden, slappe knieën kunnen dit praktisch nooit.

    • Dr. Mark van Blankenstein Berkel